Parlementaire redevoeringen - pagina 614
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
612
voor mij niet deel in de tegenwoordige ziekelijke van de criminaliteit, zoo helpt mij dit niets, moet voor hen zorgen. Omdat ik niets en sujetten die krijg want ik gelijk de geachte spreker weet, opnieuw eene ik, anders doen kon, heb niet bevredigen,
en
ik
en materialistische opvatting
om
gedaan
poging
die
quaestie tot oplossing te brengen,
en met den
Minister van Justitie de benoeming van eene Staatscommissie bevorderd, welke die zaak heeft te onderzoeken. Die commissie is bijna gereed met haar rapport binnen enkele weken zullen wij het waarschijnlijk ontvangen, vergezeld van voorstellen om het bestaande bezwaar te onder;
Met
vangen. thans niet
daarop
oog
het
het
zal
beter
zijn,
het debat hierover
verbreeden.
te
heer Helsdingen heeft opgemerkt, dat de arbeid van de verpleegsters de Rijks-krankzinnigengestichten lager bezoldigd wordt dan die van
De in
de verplegers.
Het
schiedde, omdat
hij
kwam hem
oordeelde,
oordeel onderschreef
dit
hooger
gesteld
Antwoord
,
werd dan
gezegd,
is
—
dat
—
voor, dat
en
hij
dat de arbeid die dit
met
dit
minder recht ge-
van de verpleegsters
van de verplegers. hieraan
te
constateerde, dat de Regeering
ligt,
dat,
In de
toen het
in
den regel
Memorie van ongenoegzame
van den toestand geconstateerd werd, hij bij het vrouwelijk personeel minder te wenschen overliet dan bij het mannelijke. De spreker begrijpt dit niet, en zou juist tot de tegenovergestelde conclusie komen. Dit hangt welk rechtskarakter men toekent aan deze bezoldiging. Als dat rechtskarakter is belooning van bewezen diensten, naar mate van de waarde, op zich zelf aan die diensten toe te kennen, dan is het zooer van
af,
als
de
heer
is,
dat
hun
Helsdingen het voorstelt; maar bij
hun
als
aanstelling datgene verleend
het rechtskarakter dit
wordt wat
zij
noodig
drinken, woning, kleeding enz., dan vervalt de be-
hebben voor eten, denking van den geachten afgevaardigde. En ik moet den geachten afgevaardigde wel doen opmerken, dat ik het eerste standpunt volstrekt niet inneem en meen, dat ik het ook niet kan en mag innemen. "Wij hebben, wanneer er personeel noodig
en op zich
zelf
is,
niet te
vragen, hoeveel objectief
een uur superieure verpleging eerste klasse waard is?
Vermenigvuldigd met het getal uren, dat de betrokkene bezig is, zou dit dan het salaris moeten bedragen, dat men geven moet. Maar wanneer wij
een
stel
verplegers
konden
krijgen,
stichten
Wat
die
hun diensten voor
dan zou ik ze nemen en geen cent betalen. zou men evenzoo doen.
aanboden,
is
toch
dan vindt men
de in
quaestie?
niets
In andere ge-
Wannneer men personeel noodig
heeft,
de maatschappij verschillende groepen van minder of
meer geschikt personeel.
Wanneer
ik nu, ten einde geschikt personeel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's