Parlementaire redevoeringen - pagina 452
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
450
zoude hebben gezegd, dat de oorlog tegen Atjeh een heilige oorlog was. Ik zou dien geachten afgevaardigde willen verzoeken, daarvan het bewijs te leveren. Tot tijd en wijle dat bewijs geleverd is, laat ik die woorden voor zijn rekening, en neem ik ze niet voor de mijne. In de tweede plaats heeft de geachte afgevaardigde gemeend, dat ik, mijn
in
schets
van
opzichte
over wat
voorgevallen
Waar
de loodvergiftiging.
is,
overdreef, bepaaldelijk ten
had, indien de waterleiding te
Amsterdam afgesneden was, de bevolking dan water vandaan moeten halen?
de
Is
hygiënische
wetenschap
niet
ver genoeg gevorderd
kunnen voorspellen, welke noodlottige en
te
om
schadelijke gevolgen het
drinken van bedorven en vergiftigd water zou hebben gehad? Vervolgens heeft de heer Troelstra gezegd, dat er tusschen zijn groep
en de Regeering toch nog wel zedelijke gemeenschap overbleef, althans op het punt van eerlijkheid en oprechtheid. Ik kan mij niet begrijpen, hoe hij dat zeggen kan, nadat hij mij bij een vorig debat hier voor een huichelaar heeft uitgemaakt.
(De heer Troelstra: De heer Kuyper en de Regeering nog niet.)
niet
de Regeering;
gij
zijt
De
geachte afgevaardigde zegt, dat ik maar één persoon ben en niet
Wanneer hij dacht, dat ik dit nog niet wist, vergist hij maar ik moet opmerken, dat er sprake was van zedelijke gemeenschap, en op dit punt hebben de Ministers zich één verklaard. Wat die eerlijkheid en oprechtheid betreft, moet ik bovendien zeggen, dat de de Regeering. zich
;
waarin
van het Verraadrapport mij niet overtuigd heeft, dat in de groepen, hij verkeert, het besef van eerlijkheid en oprechtheid het meest
in het
oog springend
lezing
heeft
Eindelijk dat
Niet
hij
is.
gevraagd,
of
niet
ook andere
partijen erkennen,
de zedelijke begrippen vervorming en wisseling kunnen ondergaan. alleen neem ik dat aan van andere partijen, maar ik zelf erken
en verklaar zonder eenige aarzeling, dat wel degelijk de zedelijke vormen door wisseling van omstandigheden wijziging kunnen ondergaan. Maar
gesproken van de vormen der zedelijkheid, maar van de zedelijke beseffen en grondbegrippen. Ik heb gezegd, dat men van vaste zedelijke beginselen moet uitgaan en het eens moet zijn in
daarom
zijn
heb
zedelijk
Daarover
ik
niet
besef,
liep
het
om
over zedelijke quaestiën te kunnen discuteeren. en niet over de vraag, of bijv. de rechts-
debat,
vormen aan wisseling onderhevig zijn. Ten slotte heeft de heer Troelstra de vraag
gesteld, of ik
dan toch
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's