Parlementaire redevoeringen - pagina 228
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
226
een verantwoordelijk Ministerie, is onder behoorlijke documenteering aangetoond in de Memorie van Antwoord betreffende dit hoofdstuk van Hierop behoeft thans niet te worden teruggekomen. het vorig jaar.
Dat voorts het vragen van diligentverklaring
bij
de mondelinge beraad-
slaging over dit hoofdstuk destijds geene ijdele phrase was, bleek uit het
rondgedeelde
laatstelijk
Nadere mededeeling omtrent de
Oranjeboek.
Oranjeboek opgenomen Nota is uit den aard der zaak niet mogelijk voor zoover betreft de particuliere en vertrouwelijke gesprekken, die hare vaststelling en verzending hebben ingeleid; maar wel vindt de Regeering vrijheid, om, onder geheimhouding, een enkel schriftelijk stuk, dat ten deze genoegzaam licht verspreidt, op de griffie van de Kamer ter inzage voor de leden te doen nederleggen. Evenzoo meent zij te kunnen handelen met opzicht tot de tweede vraag, in het Voorloopig Verslag gedaan, in antwoord waarop evenzoo een niet onbelangrijk stuk, eveneens onder geheimhouding, ter griffie kan gededat
in
poneerd
worden.
Verder
op haar weg zich hierover
het niet
ligt
gewezen Staatsprocureur der Zuid-Afrikaansche
den
W.
heer mr. F.
ik,
gesproken heb, van oordeel
door
^at
zij
Republiek, den
Reitz:
„Ik verklaar, dat, niet alleen ooit
uit
Alleen kan ze nog voorleggen de navolgende verklaring van
te laten.
gedaan heeft
in
en de Nota, die aan Engeland
maar
zijn,
al
mijne landgenooten, die ik
dat de Nederlandsche Regeering
verband met de Vredesonderhandelingen is gezonden, ons volk eene weldaad heeft
betoond.
We
allen overtuigd,
zijn
dat,
in acht
genomen de omstandigheden,
waaronder wij verkeerden, het noodzakelijk was, dat vrede moest gemaakt worden; dat door het voortzetten van den oorlog ons volk groot gevaar liep uitgeroeid te worden, vooral wat vrouwen en kinderen betreft.
Het was de Nederlandsche Nota, Regeering heeft
zijn
gevaar te
die tot
In
gemaakt
heeft, dat
onderhandelingen
te
de Engelsche
komen,
zelf
verband hiermede rustte mijne overtuiging, dat het voort-
van den oorlog onredelijk zou
zetten
of
om
aangeboden, eene gelegenheid, waar wij reeds lang naar gezocht
hadden.
in
ons de gelegenheid
werk de Jure
zijn
geweest, op hetgeen Grotius
Belli ac Pacis daarvan zegt, dat een volk, dat
loopt te vergaan, en de
keuze
heeft, zijne vrijheid te verliezen
vergaan, eer zijne vrijheid moest opofferen.
22 Sept. 1902.
(w.g.) F.
W.
Reitz."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's