Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Parlementaire redevoeringen - pagina 36

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Parlementaire redevoeringen - pagina 36

Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.

2 minuten leestijd

ZITTING 1901

34

door het vorig Kabinet gevolgd

in

— 1902.

zake den oorlog, die

in

Zuid-Afrika

tusschen die republieken en Engeland uitbrak. Gelijk de uit

Handelingen

Sliedrecht

verre ware af

uitwijzen,

is

door den toenmaligen algevaardigde

niet één enkel woord gesproken, waaruit ook maar van te leiden,

dat

Bedoeld Kamerlid besprak

hij

deze „politiek van neutraliteit" afkeurde.

in vier

vergaderingen de Transvaalsche aan-

Het eerst op 2 Mei 1899, toen hij bij interpellatie de vraag stelde, of ook de Zuid-Afrikaansche republieken op de VredesDe oorlog was toen nog conferentie vertegenwoordigd zouden zijn. de houding Critiek der Regeering, wat dien op niet uitgebroken. oorlog aanging, was derhalve toentertijd nog van zelf buitengesloten. gelegenheden.

De tweede maal bracht hij de Zuid-Afrikaansche Republieken ter sprake op 5 December 1899. Toen was de oorlog gaande. Doch wel verre van toen de „politiek van neutraliteit" af te keuren, verklaarde destijds bedoeld lid, dat hij zelfs „bespreking der houding, door de Regeering met opzicht tot dezen bangen oorlog reeds aangenomen of nog aan te nemen, niet gewenscht achtte". Hier liet hij het niet bij, maar voegde er uitdrukkelijk aan toe: „Ja, ik wensch verder te gaan, en te verklaren, dat ik in deze het zou moeten veroordeelen, indien van de zijde der Kamer ook maar eenige pressie werd uitgeoefend, om de Regeering {Handelingen, bladz, 609, 2de tot meerdere activiteit te prikkelen" kolom). Ten einde duidelijk te doen uitkomen, dat hij zelfs het initiatief tot mediatie dezerzijds niet als doeltreffend dorst aanbevelen, liet hij op gemelde verklaring volgen: „Wie in Engeland geen vreemdeling is, weet, dat aldaar aan hetgeen uit Holland komt geen hooge waarde wordt gehecht, maar dat zeer stellig, zoo dikwijls van onze zijde eene stem opgaat ten behoeve van de Republieken, de invloed van die stem op het Engelsche publiek zeer gering is en daar het omgekeerde uitwerkt, omdat zij den indruk maakt van partijdigheid" {Ibidem). En na aldus de „politiek der neutraliteit", van het vorig Kabinet niet gegispt, maar krachtig gesteund te hebben, bepaalde hij zich op 5 December 1899 uitsluitend tot deze critiek, dat Nederland zijns inziens het houden der Vredesconferentie in onze residentie niet had moeten aanvaarden, bijaldien de Zuid-Afrikaansche Republieken daaraan geen deel konden nemen. De motie, in aansluiting aan dit beweren door hem ingediend, doelde dan ook in het minst niet op ontstentenis van interventie. Uitdrukkelijk toch werd ontkend, dat de motie sprak over „het heden of over de toekomst", en volgehouden, dat ze alleen „over het verleden" handelde. {Handelingen, blz. 620,

Het

feit,

dat deze motie

1ste

kolom.)

met 71 tegen 21 stemmen

viel, heeft

uiteraard

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's

Parlementaire redevoeringen - pagina 36

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's