Parlementaire redevoeringen - pagina 540
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
538 niet
kunnen zeggen,
dat het belang
van de arbeidersklasse en van
alle
andere deelen van de bevolking gediend is door het stuiten van de vergiftiging, die, in strijd met alle goede hygiënische beginselen, in verschillende deelen van het land plaats heeft. Het brengen van meer zekerheid in de akten van den burgelijken stand komt toch ook niet ééne bepaalde klasse,
maar de geheele bevolking
ten goede.
De
regeling van het bedrijf der
gemeentebesturen roept reeds zoo lang om voorziening, dat ik niet kan inzien, verkeerd gedaan te hebben, door ten behoeve van dat algemeen landsbelang
eindelijk
Arbeid door
goed
gedaan
dit alles
te
maatregelen
voor
te
stellen.
Daar de
afdeeling
geen enkel oogenblik werd opgehouden, meen ik
hebben, door de andere afdeelingen van mijn Depar-
in die leemten in de wetgeving te doen voorzien. Eene andere bedenking was deze: „Gij verschuift te veel naar de toekomst, o.a. de regeling van de gemeentefinantiën en van de eedsquaestie; ,?gij doet ook niets aan het kiesrecht en tegen de zwenNu begrijp ik er niets meer van. Eerst zegt men: gij moest delarij." uw kracht concentreeren op bepaalde wetten van socialen aard, en andere dingen niet doen en nu weer zegt men als gij dit en dat er niet nog bij doet en daar ook onverwijld werk van maakt, doet gij uw plicht niet.
tement
;
:
Ik dank den geachten afgevaardigde uit Rotterdam, die het denkbeeld
van dadelijke regeling der gemeentefinantiën hier
bij
beslist ontried.
Wij staan
de behandeling der gemeentefinantiën voor een zeer ingewikkeld
gemeenten over één kam kan scheren en ook in de Rijksfinantiën, dat het een in zou zijn geweest, indien de Regeering waagstuk hooge mate roekeloos zoo maar voetstoots met een wetsontwerp ware gekomen. Dit had probleem, daar
men
niet alle
elke regeling zóó zeer ingrijpt,
kunnen gebeuren, indien toevallig aan het hoofd van het Departement van Binnenlandsche Zaken een groot financier stond. Maar dit ben ik niet en het kan ook niet geëischt worden van een Minister van Binnenlandsche Zaken. In één geval ware onmiddellijke behandeling mogelijk geweest, nl. indien de oplossing had kunnen gevonden misschien
worden uitsluitend door verhooging van de Rijksuitkeering van 1897. Maar ik heb in de Eerste Kamer het vorig jaar al gezegd, dat dit niets wijl men gelijktijdig de finantiën van verschillende categogemeenten en de Rijksfinantiën er door in de war zou sturen en men over 4 of 5 jaren weer voor hetzelfde bezwaar zou staan. Men heeft niet alleen te doen met een accres van het inkomen, maar, in de eerste plaats zelfs, met een accres van de uitgaven, en men moet tegelijk met verschillende categorieën van gemeenten rekening houden. Ik kan dus niet inzien, dat ik in mora zou zijn door het verschuiven dezer zaak.
zou helpen, rieën van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's