Parlementaire redevoeringen - pagina 293
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
INTERPELLATIE-TER LAAN INZAKE DE H. •de
afgevaardigde,
geachte
gevoel ik
al
B.
291
S.
veel voor
in 'drieërlei opzicht
zou kunnen overgaan,
art. 3 voorwaarden zoodanig te wijzigen, dat alle Verschil wegviel, moet ik toch de wedervraag doen: heeft de geachte afgevaardigde zelf de Hij zal wel aanstonds consequentie van dat standpunt doorgedacht? gevoeld hebben, dat men dan ook uit 's Rijks kas reis- en verblijfkosten zou moeten geven aan de leerlingen, die van buiten komen. Immers op het oogenblik is het systeem aangenomen, dat bij aanvragen om kostelooze toelating wordt onderscheiden tusschen twee soorten ouders, namelijk ouders, wonende in de plaats, waar eene school is gevestigd, in dit geval wordt beoordeeld of zij f 30 of f60 betalen en ouders, die buitenaf wonen, en die dus voor het gaan kunnen van hun kinderen naar de school reis- en verblijfkosten moeten betalen, wat bij eenigszins beteekenenden afstand allicht meer bedraagt dan f30. In 1899 is de bepaling gemaakt, dat voor die laatste soort ouders, ook al kunnen zij de f30 betalen, rekening wordt gehouden met den druk
beweringen, vraagt, of ik er
zijn
niet toe
der
—
—
der
reis-
,
en verblijfkosten.
Wil men dus deze tweeërlei elementen op ééne lijn stellen, dan moet men zeggen, dat het Rijk niet alleen helpend moet tusschenbeide komen, als
de
maar
ouders
wonen en de f30
de plaats zelf
in
niet
kunnen
ook dan, wanneer de ouders, buitenaf wonende, de
blijfkosten
kunnen
niet
Dan
betalen.
moet
Rijk
het
reis-
betalen,
en ver-
niet
alleen
van leermiddelen toestaan, maar moet er ook gezorgd worden voor de noodige geldmiddelen voor reis en verblijf. Maar daarbij blijft het niet. Wanneer men eenmaal het standpunt inneemt, dat ieder, die zich aanmeldt voor plaatsing op eene hoogere kostelooze
en
toelating
verstrekking
burgerschool, onverschillig of toegelaten,
gaat
het
toch
gunnen aan degenen,
f30 kan betalen of
hij
niet
wonen
niet,
aan, dit privilege alleen
moet worden
bijzonderlijk te
waar eene hoogere burgerschool gevestigd is, of aan hen, die er zoo dicht bij wonen, dat zij des morgens de plaats, waar de school gevestigd is, kunnen bereiken en na afloop van den schooltijd weder naar hunne woonplaats kunnen terugkeeren. Men zal zich dan moeten afvragen, waarom, nu het Rijk die uitgaven doet voor en dat recht toekent aan de daar toevallig wonenden, het
aan
hen,
die
die
elders
overal
voor
buitenaf
eene
plaats,
niet
hetzelfde
wonen,
Daaruit zou dus volgen, dat dat
in
men
zou verschuldigd
zijn.
het geheele land zóó had in te deelen,
wonenden eene Rijks-hoogere burgerschool
binnen de uren, die voor en na de schooltijden overblijven, bereikbaar
van
was, art.
m. 192
a.
der
w.,
dan
zou
Grondwet,
men die
nu
de
bepaling
alleen
op
van het
het
derde
openbaar
lid
lager
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's