Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 319

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 319

Eerste deel. Inleidend deel.

2 minuten leestijd

Afd.

2.

Hfst. III. § 96.

G.

PLANCK.

J.

Kant's

311

critiek. Nösselt's drang om in de ïheologia grond ook voor de revelata te zoeken, ontgaat hem

toe, dat zelfs het

Ook

is.

God

bestaan van

absolute

evidentie

der Betrachtung der Natur

jetzt

;

en

hij

den

geeft

niet absoluut zeker te bewijzen

niet

is

und Antikantianer stimmen

naturalis

want „Kantianer

te vinden,

darinn zusammen, dass diese aus

herzuleitende Grimde keinen zwingenden Beweiss bilden konnen" (Lp. 219). Hij trekt zich daarom terug op een „genoegzamen grond" want, zegt hij, „darinn stimmen auch alle zusammen, dass ... es vernunftlos seyn würde, die .

.

.

;

Existenz haben,

bey jenen andern Grimden, welche wir dafür

Gottes

des wegen

bloss

zu bezweiflen,

weil uns ein eigentlich zwingender Grund dafür fehlt" (Lp. 220). Zoo was het juist Kant, die door zijn critiek deze theologen weer naar den supranaturalistischen kant heendreef.

Alsnu

de afzonderlijke

tot

vakken

alleen

400

tegenover nauwelijks nogmaals 400 aan vakken saam. Dit komt daarvandaan, dat hij onder

overige

alle

deelen

der Theologie komende, Planck de Exegetische vakken voorop, en wijdt aan deze

plaatst

blz.,

deze vakken de Apologetiek opneemt;

zou

geweest,

zijn

voor

zoo

nu

is,

Göttlichkeit der Lehre Jesu (I.

für

p.

„Apologetik

272):

rechtvaardigen

te

onder Apologetiek alleen het bewijs oorsprong der H. Schrift had verstaan, hij

den goddelijken

maar onverdedigbaar

wat

iets

hij

und

ze

opvat

als bewijs

seiner Apostel".

beschaftigt

sich

die Göttlichkeit unserer Religion, das

den

mit

Beweisen

den göttlichen

für

ist,

voor „die

Hij zegt toch

Ursprung und das göttliche Ansehen der Lehre Jesu und der

En

Apostel." niet thuis.

goddelijken exegese, en

zoo opgevat, hoort de Apologetiek hier zeer stellig

Doch

zelfs in

oorsprong der H. is

toch onjuist.

die

nominaal onderdeel

Ook de

zijn

is

als

bewijsvoering voor den

derde

Schrift, is

Geschiedenis van den Kanon, die op

geen exegese, evenmin onderdeel

als sacra optreedt. :

zin,

Apologetiek nog nooit alzoo de generale naam van „exegetische vakken"

Apologetiek volgt, sacra,

engeren

vormt,

Feitelijk

is

en

hij

de Philologia

Planck slechts

alzoo slechts het vierde

de Hermeneutiek hier op haar plaats.

neutiek sluit

als

bij

zijn

echter elk theologisch karakter

Bij deze uit,

en

Herme-

is hij

van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's

Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 319

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's