Parlementaire redevoeringen - pagina 134
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1901—1902.
132 Dit
krijgen.
te
is
de indruk, dien de schoolopzieners daarvan hadden
ontvangen, en op die wijze
men
om
optreedt
zijn
eene wet
uit
ze dan te
ook
voeren,
te
werk gegaan. Wanneer
waartegen
men
zelf
ge-
dan heeft men kans, van den anderen kant de vraag te hooren stellen: waarom trekt ge de wet dan niet in? Ja, de heer Drucker heeft zelfs gezegd, dat, als ik de Leerplichtwet zoo verkeerd stemd
heeft,
vond,
ik
op den eersten dag had moeten voorstellen, haar
al
in
te
trekken. Ik moet zeggen, dat ik van dergelijke overhaasting of urgentie,
om
in
overprikkeling
te
handelen, niet houd.
Ik
meen
integendeel, dat
men, met het oog op de continuïteit der Regeering, aldus een verkeerden weg zou inslaan.
Toen na
uiterst
van het Kabinet, waarvan gij. Mijnheer de wet-Mackay was ingevoerd, en uw plaats werd ingenomen door een man, die in principe tegen die wet was, is er bij hem op aangedrongen, haar eerlijk en loyaal uit te voeren, en het
aftreden
Voorzitter, deel uitmaaktet, de
ook gedaan. Dit is door zijn opvolgers wederom zoo moet erkend worden, dat dit steeds op eerlijke en loyale wijze is geschied. Welnu, ten aanzien van de Leerplichtwet meen ik hetzelfde standpunt te moeten innemen. Wil dit zeggen, dat ik voornemens ben haar, zooals ze daar ligt, onaangetast te laten? Dat zou, mijns inziens, niet goed zijn. Niet alleen van de zijde der tegenstanders, maar ook van den kant der voorstanders van de wet is het erkend, dat zij op onderscheiden punten zij het alleen in technischen zin Maar moet men herziening zal eischen. bij het ter hand nemen van die wijziging zich niet vooraf de vraag heeft
dat
begrepen
en
hij
het
—
—
men
doctrinair en theoretisch dan wel empirisch zal Moest ik eenvoudig naar eigen idee gaan zeggen, dat de wet zoo en zoo moest veranderd worden, of moest ik eerst niet de empirie raadplegen, en nagaan, welke uitkomsten de practijk oplevert? Ik meende dit laatste te moeten doen. Ik heb, waar het recht van dispensatie in de wet gegeven is, daarvan niet dan een zeer bescheiden gebruik gemaakt. Hoe sterke aandrang bij mij ook is uitgeoefend om het herhalingsonderwijs voor meisjes niet in te voeren, toch heb ik mij steeds stipt gehouden aan de bepaling der wet, dat de dispensatie slechts om bijzondere redenen mocht gegeven worden. Wanneer de redenen een algemeen karakter hadden, heb ik het verzoek om dispensatie steeds afgewezen. Wanneer zich in de stellen, te
of
daarbij
werk gaan?
voordeden ten aanzien van de samenwerking met de rechterlijke macht, heb ik, zoodra klachten inkwamen, deze aan mijn ambtgenoot van Justitie gezonden en hem verzocht om zijn medewerking,
practijk moeilijkheden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's