Parlementaire redevoeringen - pagina 463
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN.
461
van bloedverwantschap en zwagerschap spreekt, terwijl de band tusschen man en vrouw onder geen van beide valt, dan kan de geachte spreker niet
ontkennen,
zijn
sustenu
—
hij
heeft het
zou
ongeregeld
ook
niet
Waar
zijn.
gepoogd dit
—
,
dat dit punt
absurd zou
zijn,
bij
heb ik
ab dbsurdo bewezen, dat zijn bewering niet kan opgaan. Ik ben aan het slot van mijn eerste rede teruggekomen op het feminisme. Ik deed dit in verband met dezelfde quaestie. Wanneer men ook de vrouw toelaat en dus ook de mogelijkheid schept, dat de man burgemeester is en zijn bijzit ontvanger wordt, dan zal den gemeentebelangen een veel ernstiger gevaar bedreigen, en dan zou eene wet,
die
dat
toeliet,
ook zeer
ernstige
maatregelen daartegen moeten
nemen. Voorts heeft de geachte spreker ook laten rusten het argument, door gebezigd, uit de analogia a fortiori. Dit kwam hierop neer, dat, wanneer de Grondwet ten aanzien van de kiezers voor en van de leden van den raad het noodzakelijk acht, het woord „mannelijk" voor „Nederlander" te plaatsen, om daardoor de vrouwen uit te sluiten, dan a fortiori die beperkende bepaling ook gelden moet voor hen, van wie veel meer qualiteiten gevorderd worden. De qualiteiten, van een burgemeester of van een ontvanger gevorderd, zijn veel ernstiger dan die van een gewonen keizer of van een gewoon raadslid, omdat ze gemij
wichtiger functiën hebben.
zamen genomen, meen
mogen concludeeren, dat de heer Smidt in de nadere verdediging van het amendement niet zeer gelukkig is te werk gegaan, wat de heer Drucker ook scheen te gevoelen, toen ook hij als pleiter voor het amendement opkwam, ten Het komt mij echter voor, dat de einde de verdediging te steunen. Reeds verdediging door dit optreden niet aan kracht gewonnen heeft. de heer Van Idsinga toonde aan, waarop het geheele betoog van dien geachten spreker zou neerkomen. En ik voor mij wensch nog te doen opmerken, dat, toen de heer Drucker zeide: „de Hooge Raad is zóó te werk gegaan", en hij er bijvoegde „er had reden bestaan om er anders Alles
te
ik
te
:
over
te
oordeelen",
ik
toen
dacht,
dat
daar een gewichtig argument
voor den dag zou komen, dat mij onbekend was, iets omtrent de zwagerschap of iets dergelijks, waaruit blijken zou, dat de vrouw niet kon bedoeld zijn. En wat kwam er toen? Niets anders dan dit, dat er stond „hij" en „zij" en „hem". Maar ik zou toch wel willen vragen, waar wij heengaan, als wij dit als een sterk argument moeten beschouwen, als
een
stut
persoonlijke
om en
de verdediging van den heer Smidt bezittende
voornaamwoorden worden
te
in
schragen. allerlei
De
wetten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's