Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 271
Eerste deel. Inleidend deel.
Afd.
Hfst. III. § 86.
2.
JOACHIM LANGE.
263
maar ook omdat de irregenitus haar in wezenlijken zin bezitten kan (p. 6). Philologische en philosophische studiën,
hem dan ook geen
bij
Theologiae
studio
eigenlijke propaedeuse,
coniungatur,
si
maar
iets,
ita ferat tvxaiQia";
dat
maar
niet zijn
„cum des-
noods kan de theoloog er bijna buiten (p. 10). „Quodsi enim mediocri tantum Graeci ac Hebraei fontis peritia pollet, habet viam in necessariis expeditam" (p. 12). Voor de indeeling der
vakken onderscheidt de
noodige
rekent
tusschen de noodige en de nuttige.
hij
Tot
de exegetische en
hij
thetische (exegese, dogde minder noodige of nuttige rekent hij de historische en polemische of antithetische, gelijk hij ze noemt
matiek
en
moraal),
tot
waaraan
hij ten slotte nog toevoegt de subsidia instrumentalia, de kennis van de oude en moderne talen, de Joodsche Archaeologie en de philosophie. Voorts vermeldt hij nog de Catechetica,
onder de Thetica hoort, en de Homiletiek, die hem „herme-
die
neuticae
is (p. 15). Op den voorgrond de exegese. Hij noemt ze „totius reliquarum ejus partium singularum, fundamentum
aut,
filia,
si
mavis, pars"
staat derhalve in zijn schatting
Theologiae, et ac
nervum praecipuum centrumque", en wel omdat de „Sacra universae scientiae Theologicae principium unicum solidissimum" is (p. 47). Maar onder exegese verstaat hij
Scriptura et
.
hierbij
een
gebed,
om
.
.
uitlegging,
hoofdzaak de vrucht is van een de leiding des H. Geestes en van gestadige lectuur die
in
der H. Schrift. Voorop toch staat
bij
hem
exegeseos" de „illuminans Dei gratia,
piis
als
„adminiculum bonae
precibus in iusto salutis
ordine impetrata, nee non vivus et sapidus rerum divinarum, quae sub
experientiam cadunt, gustus"
(p. 52). In zijn dogmatische studiën leidt de onderscheiding tusschen den geestelijken inhoud van het dogma en de phraseologia of elocutio ecclesiastica een onderscheiding, die bij hem er nog niet toe leidt, om de laatste
hem
dit
dan ook
verwerpen;
tot
noemt ze zelfs „proba ac probata"; maar die in haar gevolgen hier toch toe leiden moest en geleid heeft (p. 63). te
Maar doctrina
hij
het sterkst
mor a lis,
komt
toch zijn piëtistisch karakter uit in zijn
die hij definieert als een „uberior expositio dog-
matum eorum, quae ad
gratiae applicatricis negotium et
ambitum
pertinent, speciatim illorum de conversione ac renovatione"
(p.
64)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's