Parlementaire redevoeringen - pagina 468
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
466
nemen, door het De overweging dier vraag heeft het Kabinet geleid tot de overtuiging, dat, wanneer al of niet gewijzigd wordt in het Burgerlijk Wetboek zoo breedvoerig opgenomen wat door de Staatscommissie is voorgesteld, er eene princiDit ging, naar het oordeel pieele regeling van den eed zou komen. voor
Ministerie
"Wetboek op
in het Burgerlijk
nadere regeling
ter
te
rekening kon worden genomen.
zijn
—
—
van het Kabinet, niet. Men mag zich toch bij het eedsvraagstuk niet beheerschen door de plaats, die de eed in het Burgerlijk Wetboek Vandaar, dat op bladz. 2 van de Memorie van Toelichting inneemt. van genoemd ontwerp werd gezegd: „Op één gewichtig punt, de heeft de Regeering geen vrijheid regeling van het eedsvraagstuk, laten
kunnen vinden, de voorstellen der Staatscommissie Het is haar toch voorgekomen, dat het de voorkeur
aanvaarden.
te
verdient, voors-
hands en tijdelijk op dit stuk de bestaande regeling te behouden; en meer oorbaar, dan zonder vast richtsnoer voort te schrijden op den weg van het nemen van afzonderlijde, onderling van elkander afwijkende,
met ernst
beslissingen, schijnt het haar,
omvattende stand
bekwamer
Het
aangebracht. debat
eene
toch
zij
zich voor, ter
heeft
daarom
mij
beraadslaagt,
geen enkele
n.
1.
dat
zoo
loop en de stand der zaak?
Er
is
wijzi-
Dit
voorgesteld.
bij
het
door de Regeering
moet
wijziging
blijkt
wets-
het
in
ten zeerste verbaasd, dat
beweerd,
is
dat
volgt,
van het eedsvraagstuk kon worden
toestand
tegenovergestelde
het
Kamer
de
bestaanden
en
Regeering,
der
standpunt
het
waarover thans den
stelt
na ernstige overweging gereed gemaakt,
verklaring,
duidelijk
in
het geheele rechtsgebied tot
daartoe noodige stappen
ontwerp, ging
trachten, eene de volle materie
doen."
te
tijd
deze
Uit
De
brengen.
te
te
over
eedsvraag
der
regeling
beslist
mogelijk
ontkend worden.
Wat die
toch
is
ons
achter
de
—
ligt,
de
toen
mag
nog
eed
algemeen
is
in
de periode,
obligatoir,
als
ik
zoowel op administratief als van een ambtseed sprake was, wanneer telkens, op justitieel terrein onderscheiden tusschen den ambts-eQd en den zuiverings-eed. Evenwel, de bepaling „op de wijze van de heer Okma wees er reeds op
die
korte uitdrukking
—
bezigen,
,
—
zijn
—
godsdienstige
tweede tweede lid
het
die
gold,
lid.
is
in die
bepaling niet
tweede eerste
lid lid
Doch
aan
niet
doch
niet in in het
wel
in
het
eerste,
periode nooit opgevat, alsof het wilde zeggen, dat
ook het
dit
,
opnemen van deze woorden
stond
gezindheid"
op
eerste
het
tweede
lid
sloeg.
Aangezien
het
als
gehaakt werd, werd het door hetgeen het
regelde, beheerscht.
Welnu,
in
het artikel
van de Gemeente-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's