Parlementaire redevoeringen - pagina 469
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
DE EEDSQUAESTIE.
467
waarover thans gehandeld wordt, was geheel op dezelfde wijze de In art. 65 en de volgende artikelen, die hier onder denzelfden regel vallen, was eveneens in het eerste lid, geheel conform de vaste usance van dien tijd, eenvoudig geschreven, wet,
zaak van den ambtseed geregeld.
dat
burgemeester,
de
wijze
alvorens zijn betrekking te aanvaarden, „op de godsdienstige gezindheid" in handen van den Commissaris
zijner
den eed had afteleggen. Daaraan was toegevoegd
als
hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der
tweede
lid
„hij
:
wordt
Grondwet bedoelden
hebben afgelegd", zonder eenige nadere bepaling; en Gemeentewet betreft, in die periode niemand het anders verstaan, dan dat de obligatoire bepaling van het eerste lid ook op het tweede lid sloeg. Het was dan ook volstrekt niet juist wat door den heer Smidt werd beweerd, nl. dat de Regeering in het oorspronkelijke ontwerp den eed facultatief zou hebben gesteld, maar in het eed van zuivering toch
wat
heeft,
te
de
gewijzigd ontwerp de bepaling zou hebben veranderd door het
opnemen
van de vermelde woorden. Er is bij de Regeering geen oogenblik aarzeling geweest, om, waar in het oorspronkelijk ontwerp de bijvoeging niet stond, vol te houden, dat het
tweede
bijgevoegd
tweede
is,
lid,
Er
lid
Dat
beheerscht.
toch
nu
door in
lid zou worden ontwerp van wet de bepaling er
de bepaling van het eerste
het gewijzigd
heeft een zeer natuurlijke reden, namelijk deze, dat in art. 65,
zooals
nu
het
luidt,
de zaak eenigszins slordig behandeld
87 gewezen van de Grondwet bedoeld, zal worden afgelegd er wordt wel op een zuiveringseed, maar de formule, waarin deze voorkomt, wordt niet nader omschreven, zoodat ook het letterlijke gebruik van in de Grondwet voorkomende eeden in de Gemeentewet niet toepasselijk is. Die verandering scheen Daarbij werd eene verandering verondersteld. nu te moeten worden aangebracht en hierin te moeten bestaan, dat, in Er zou plaats van lid van den raad, wordt gelezen „burgemeester". niet meer worden verwezen naar art. 87 van de Grondwet, maar naar was.
staat,
zonder
eenige nadere bepaling, dat de eed,
in art.
;
de formule, die voor de leden van den raad was voorgeschreven.
Waar
het nu, naar mijn vaste overtuiging, geheel hetzelfde blijven zou, indien
woorden „op de wijze van zijn godsdienstige gezindheid" er in immers het tweede werden geschreven, of dat ze werden weggelaten, als die, welke in onderworpen lid clausule worden zou aan -dezelfde het minste bezwaar niet kwam het mij voor, het eerste lid staat op te leveren, ook in het tweede lid dien vorm er bij op te nemen, de
—
—
,
ten einde allen twijfel dienaangaande
Desniettegenstaande schijnt
men
weg
toch
te
nemen. meenen, dat het oorspronke-
te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's