Parlementaire redevoeringen - pagina 548
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
546 waar
plicht,
komen.
ik
namens de Regeering spreek, met ernst daartegen op beroep ik mij bij voorkeur weer op dengene, die
Daarbij
Kamer de
te
in
van het toenmalig debat voor de stakers op zich heer Troelstra, die, t)lijkens bladz. 938 van de den heeft genomen, op Handelingen II, op 10 Maart uitdrukkelijk heeft gezegd: „Ik geloof, Mijnheer de Voorzitter, dat de toestand op dit oogenblik zeer ernstig moet genoemd worden. Sedert 1848 is er zulk een gespannen politieke toestand deze
in
Nederland
leiding
niet geweest, ja, het is zeer
oogenblik niet ernstiger
dan toen."
is
de vraag, of de toestand op
En
hij
heeft
op dezelfde
dit
blad-
op gewezen, dat er eene groote, diepgaande ontroering en beroering van een zeer groot deel van het Nederlandsche volk was ontstaan en een opvlammen van een revolutionairen geest onder de Nederlandsche arbeiders, zooals die nog niet was voorgekomen, terwijl hij ten slotte zeide, dat hij het niet voor onmogelijk hield, dat wij in Nederland een tijdperk van gewelddadige revolutie te gemoet gingen. Zegt men, dat dit eene geweldige overdrijving van den toestand was, dan doe ik opmerken, dat de spreker zelf tegen die interpretatie van zijn woorden bij voorbaat is opgekomen, want, blijkens bladz. 939 van de Handelingen II, heeft hij uitdrukkelijk gezegd: „wanneer nu zoo de toestand er
zijde
is,
—
in
opgewondenheid of
—
dan en ik meen die zonder overdiijving geschetst te hebben komen wij enz." Wij hebben hier dus niet te doen met woorden, die
met
iets,
dat gezegd
bij
is
ondoordachte improvisatie
zijn
,
gesproken, maar
na wikken en wegen, door iemand, die zonder
overdrijving zijn beeld van de zaak gaf.
Waarom de
dit
alles
wordt aangehaald?
toekomst aansprakelijk
vroeger door mij
Omdat het Kabinet ook in het is reeds Wanneer
voor de orde.
gezegd — de
partij, die destijds
—
optrad, na het gebeurde
maar nooit weer, wij zien voor goed van dingen af en gaan ons nu alleen op parlementair gebied bewegen",
verklaard had: „dat dergelijke
is
is
eens,
dan kon men althans ten opzichte van haar gerust zijn, al bleven dan nog de anarchisten. Maar men stelt eene herhaling slechts uit, totdat men beter georganiseerd en beter gewapend zal zijn, om dan met meer hoop op succes te kunnen optreden, en de berichten uit Amsterdam blijven nog altijd van dien aard, dat blijkt, hoe het daar altoos nog woelig is en men niet gerust kan zijn voor de toekomst. Het is alzoo de plicht van het Gouvernement, zijnerzijds het verkleinen van het gebeurde tot proportiën, die er kinderspel van zouden maken, te bestrijden en tegen te gaan.
Het Kabinet is voorts beschuldigd van reactie, en de geachte afgevaardigde uit Groningen heeft tot mijn verwondering gezegd, dat hij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's