Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Parlementaire redevoeringen - pagina 500

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Parlementaire redevoeringen - pagina 500

Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.

2 minuten leestijd

ZITTING 1903—1904.

498

19 ingelaschte

gesteld, die in art. vloeit

daaruit

woorden

er

weder

uit te lichten.

Maar

dan tevens voort, dat de moeilijkheid, die gerezen was,

thans moet ondervangen

worden

in art.

19.

Daarbij moet men zich wel rekenschap geven van het standpunt, waarop men zich plaatst. De Regeering neemt dit standpunt in, dat de eigenschap van ingezetene in tivee instantiën aanwezig moet zijn 1 ^. bij de benoeming; en 2'. bij de toelating. Zij gaat op dit punt geheel mede met mr. H. Vos, die in zijn werk Van Emden's rechtspraak op de Gemeentewet dienaangaande zegt: „Men moet dus aannemen, dat, om te worden toegelaten, twee vereischten behooren aanwezig te zijn: 1". dat men gedurende het laatste jaar, aan zijn verkiezing voorafgaande, in de gemeente gewoond heeft (art. 17, al. 3); 2^ dat men sedert dien De Regeering kan dit ingezetene gebleven is (art. 19, al. 3)." tijd standpunt niet loslaten, omdat èn art. 17 Gemeentewet èn art. 193 :

Grondwet baars

wat,

staat

al

de

„dat

letterlijk,

voorafgaande

inziens

zijn

het

geen andere uitlegging toelaten.

Art.

17 zegt

gekozene gedurende het jaar aan zijn verkiezing woonplaats in de gemeente moet hebben gehad", woord „ingezetene" er niet, toch zonder twijfel het

aanduidt. En in de tweede plaats wijs ik op art. 143 omdat daarin de regeling der verkiezing van de gemeenteraadsleden gegeven wordt. Nu staan de woorden „Om lid van den raad te kunnen zijn, wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezetene der gemeente zij" hier tusschen twee bepalingen in, die beide op de regeling van het kiesrecht betrekking hebben. Daarop heeft betrekking het 1ste, maar ook het 4de lid. ^)7anneer nu in een artikel, dat de verkiezingen voor den gemeenteraad regelt, de Grondwet den eisch van het ingezetenschap tusschen twee bepalingen inzet, die beide het kiesrecht raken, wat is dan anders aan te nemen, dan dat ook die eisch van het ingezetenschap op het passieve kiesrecht slaat ? Mij plaatsende op het standpunt, dat het opkomend raadslid bij zijn toelating voldoen moet aan twee eischen, namelijk, dat hij ingezetene geweest zij op het oogenblik van zijn benoeming, en dit ook nog zij op het oogenblik van zijn toelating, kan ik het verschil over de vraag, of men lid van den raad wordt door aanneming van zijn benoeming of

ingezetenschap

Grondwet,

:

eerst

door

heeren

toelating, laten rusten.

lijnrecht

tegenover

Ook

elkander.

professor Buys en Oppenheim aangevoerd,

in dit opzicht staan

Ik

gevoelen van

zie niet in,

professor

zijn

De benoemde, maar

in

die de

benoeming

dat de argumenten,

door

betoog omverwerpen.

heeft

embryonistischen toestand, en

de geleerde

vereenig mij geheel met het

hij

aangenomen, is wel raadslid, wordt als werkelijk raadslid

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's

Parlementaire redevoeringen - pagina 500

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's