Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 268
Eerste deel. Inleidend deel.
Afd.
2ÓO
Hfst. III. § 86.
2.
JOACHIM LANGE.
sophiam Ciceronianam a Salomonea, quantum larva ab homine" (p. 30). De heidensche wijsbegeerte kent alleen den natuurlijken mensch,
het hoogste
begrijpt
Alles
middelen.
deze
in
en kiest averechtsche
niet,
philosophie
mag met
slechts in zooverre
goed
dan ook
is
haar gerekend,
als
en
ttêvoXoyicc,
ook
aandringt
zij
op zelfkennis, dringt naar volmaaktheid, en zoekt naar middelen, om daartoe te geraken (p. 31). Van juiste afbakening der grenzen alzoo in geheel deze encyclopaedische voorstelling geen sprake.
is
Ze wordt beheerscht door een ver gedreven miskenning van de studie der eeuwen, die voorafgingen, en trekt zich wel schijnbaar
weer
Schrift
dóg
noö
fioi
(jtoj
;
recht behield,
kon
maar
door behoefte aan zijns
het verdriet, dat
straks sectarische collegia pietatis beleefde, zijn
is hij
dan de orthodoxie bood,
naar het mysticisme heengedrongen
eigen beginsel; en
toch ook deze H.
op subjectieve bevinding. Al bedoelde
te laten rusten
dus Spener niet mysticist te worden, toch een ander
om
de H. Schrift terug, maar
geheel binnen
was
ondanks
hij
uitvloeisel
van de
van
zijn
Theologie, die als habitus haar onvergankelijk
dezen habitus bijkwam,
als disciplina los bij
de theologische wetenschap reageeren, zonder
slechts tegen
ooit zelf een wetenschappelijk karakter te kunnen aannemen.
§
86.
Joac/iim Lange.
Joachim Lange omdat
hij,
Breithaupt,
Lysius,
op
ook
uit
studie
is,
tot
daarom
verdient
vermelding,
afzonderlijke
hoezeer geheel het piëtistische standpunt met Spener.
zijn
Francke en anderen deelende,
er toch
meer
het wetenschappelijk karakter der theologische recht te laten
overige wetenschappen
komen,
piëtistisch
op
en "te
omgekeerd
vatten.
Van
biedt hij ons een proeve in zijn rectorale oratio van
ook de
het laatste 13 Juli 1722
„de Dei gloria, tanquam vitae nostrae omnis, inprimis academicae ac litterariae scopo*, litterariae, hij uit
e
Halae,
van de
singulis
admodum
afgedrukt achter
Magdeb.
stelling dat
Dei
attributis,
refulgens"
teruggekaatst,
dan
1724, p.
743. v.v.
de „gloria Dei
quae ipsa
Hierin toch gaat
est divina perfectio,
.
.
.
eius cssentia simt, gloriose
Deze gloria Dei kan dus niet het beeld Gods in ons. En overmits nu
(p.
uit
zijn Institutiones studii theologici
745).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's