Parlementaire redevoeringen - pagina 74
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
:
ZITTING 1901
72
— 1902.
komt, wellicht zal moeten opkomen tegen de verwaarloozing van Welnu, ik eenige resultaten van de jongste criminalistische studiën.
orde
meen, groep
hem niet
resultaten
dat
kennen,
van
ten
deze
den heer Mees ook
meer verheugd, omdat
te
lichtelijk zullen zien
onze met de
geeft wij
Ik ben over
geen rekening willen houden.
die studiën
opvatting
zijn
opnieuw blijk hij meent of waant, dat
kunnen verzekeren, wanneer hij
te te
wij waarschijnlijk
optreden onder de verdedigers
bekend zal zijn, neemt de opinie, dat de doodstraf in het strafrecht onmisbaar is, weer hand over hand toe. Ik heb hier voor mij liggen eene lijst van een dozijn citaten, waarin door rechtsphilosophen en criminalisten met klem van redenen de
van
aan
Gelijk
doodstraf.
heeren
de
doodstraf verdedigd wordt. Ik zal die citaten niet voorlezen,
de
—
—
dat
maar ik wensch er alleen op te wijzen, dat die kentering mat te veel af tweeërlei oorzaak in de eerste plaats aan het opkomen aan te danken is van de school van Lombroso en ten tweede aan de herleving van het Kantianisme. De namen van hen, van wie ik citaten medegebracht heb, ,
:
zijn:
Kant,
Courcelle
En de den
zaak,
meest
Schilling,
Henry
Beaussire,
M. Freydanis,
Garofalo, Taine, L.
in
Michelet,
Steudel, Seneuil,
die
deze
en
Eugène
Proal,
Mouton, Tarde,
enz.
quaestie
strengen
Lasson, Smidt, Louis
Joly,
beheerscht,
absoluten
zin
is
juist
een
deze, dat
verdediger
Kant
van
de
bekend werk Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre (1797) zegt hij, na eerst gesproken te hebben over de wijze, waarop de diefstal gewroken moet worden, het volgende Es giebt hier kein „Hat er aber gemordet, so musz er sterben. Surrogat zur Befriedigung der Gerechtigkeit." Men zou dit van Kant haast niet denken, maar hij drijft de zaak zoover, dat hij er bij zet, dat, wanneer op een eiland eenige menschen samenwoonden en men had een schuldige ter dood veroordeeld, maar dien nog niet ter dood gebracht, men hem, indien de overige bewoners van het eiland besloten hadden, allen hun eiland te verlaten, ten einde een ander eiland De heeren kunnen te gaan bewonen, eerst zou moeten doodmaken. Kant's werken, in het dit vinden in de gezamenlijke uitgave van Ik zou dit hier niet aanhalen, indien 9de stuk, op bladz. 183. niet in deze Kamer en bij dit debat ook verwezen ware naar een antirevolutionair pleitbezorger, die in de dagen van de verkiezingen ook doodstraf
geweest
is.
In
zijn
was opgekomen voor de doodstraf en onvoorzichtige
uitdrukking
andere mogelijkheid was, Ik
zeg
hem
dit
niet
hij
na,
heeft zelf
maar
die daarbij eene, mijns inziens,
gebezigd, dat
nl.,
wanneer er geen
de terechtstelling op zich zou nemen. ik
wensch
toch
eens
nadrukkelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's