Parlementaire redevoeringen - pagina 647
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
Schoolhoofden en onderwijzers van bijstand zeer zeker met de onderwijzers daarover confabuleeren.
zijn,
645
En wanneer
burgemeester en wethouders die confabulatie bevorderen door het beschikbaar stellen van lokalen, het verleenen van subsidie en zoo meer,
Maar wanneer
juich ik dat toe.
burgemeester en wethouders,
hetzij
de gemeenteraad zoo ver gaan van die vergaderingen verplicht
op eene
ook maar eenigszins
die
wijze,
hem door de wet toegekende
hetzij
te stellen
ontnemen zou de
het hoofd
bevoegdheid, zou ik het mijnerzijds mijn
recht en plicht achten, die poging te bestrijden.
men
van harte zou doen, dan antwoord ik van voor de onderwijzers in den tegenwoordigen tijd is gelegen, is geboren uit de grootte van hun getal en de daardoor ontstane vermindering van hun kans, om zelf hoofd te worden. Dit maakt, Vraagt
dat
nu, of ik dit
Het kwaad,
neen.
het
positie
grootste
van de onderwijzers levenslang
gedeelte
En nu
blijft.
dat
in dezelfde
begrijp ik zeer goed, dat een onderwijzer, een
man
van het vak, die zijn zaken kent en eene lange ervaring achter zich heeft, vooral dan, wanneer hij op hoogeren leeftijd komt, het hard vindt, een jong schoolhoofd te zien optreden, aan wien hij in absoluut monarchaal verband onderworpen is. Maar daar heb ik niet mee te rekenen; ik heb van de tegenwoordig geldende wet. door den geachten afgevaardigde uit Zutphen, en ik meen ook door den geachten afgevaardigde uit Hoogezand, gevraagd, of de verruiming van middelen der bijzondere scholen er toe geleid heeft, dat de salarissen der onderwijzers bij die scholen verbeterd zijn. Het komt mij voor, dat dit onderwerp vanzelf breedvoerig
gesproken
alleen
in
den
de achtste plaats
In
zin
is
komen, wanneer wij het aangekondigde wetsontwerp tot herziening van de wet op het lager onderwijs behandelen, en dat het niet van genoeg eerbied voor den tijd van de Kamer zou getuigen, wanneer ik aan de orde
op
oogenblik daarover een debat aanvaardde. De geachte afgevaardigde mij gevraagd, of ik in staat zou zijn op te geven, hoe het met
dit
heeft
die
zal
salarissen
op het oogenblik
voor behandeling
rijpst
tijdstip
genaderd
zal zijn,
staat.
Ik geloof, dat deze quaestie het
wanneer
wij tot dat
zooeven aangeduide
zijn.
heer Ter Laan sprak over het vele ontoereikende, dat op het oogenblik nog bij het bijzonder onderwijs te constateeren valt, wil ik hem en den heer Goeman Borgesius dadelijk antwoorden, dat ook
Waar de
mijns inziens het verstrekken van geld
onderwijs de verleende eisch,
het
mits
vrije
verplichting
gelden
-
en
karakter
hun dit
der
oplegt,
doel is
bereiken.
vaste
school
uit 's
de
dat
Rijks kas aan het bijzonder
Overheid
voorwaarde als
toezie, of
Die controle
zoodanig
—
is
door
wordt
te
de aldus
plicht
haar kort
en
niet
de aan
gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's