Parlementaire redevoeringen - pagina 260
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
258
van degenen, die het gat willen stoppen door eene hoogere uitkeering van Rijkswege. Van meer dan eene zijde is mij gevraagd geworden, of ik de eerste
den heer Staalman opzettelijk
rede van
daarom gaarne,
klaar
tweede
de
Dat
dat er
van
rede
geachten
dien
niet
heb beantwoord. Ik verbedenking bestaat,
mij geen de minste
bij
afgevaardigde
beantwoorden.
te
—
heb beantwoord, was, omdat ik achtte, dat waar die geachte spreker in deze Kamer herhaaldelijk en met luider stemme de betuiging deed weerklinken, dat hij dr. Kuyper vertrouwt, terwijl heel rede
zijn
in
de eerste
ik
niet
het verband ervan de strekking had
en
mij te ondermijnen
zou
heid
als ik
zijn,
—
dan nog
om
debat ging treden.
in
vertrouwen
alle
volkomen vergeten van
het een
alle
Waar
waardig-
intusschen
tweede rede de geachte spreker dat niet heeft gedaan en hij behoorlijk heeft geargumenteerd, heb ik geen bedenking om met hem in
zijn
debat te treden. Hij zal echter zeil wel gevoelen, dat, wanneer een Kabinet onder de Regeeringsmeerderheid ziet optreden een lid, dat in
op zulk eene wijze met de Regeering breekt, zulks een gevoel van leedwezen moet veroorzaken. Echter wil ik er bijvoegen, dat dit leedwezen geen andere uitwerking heeft gehad, dan dat ik steeds de hoop blijf
koesteren, dat het gebroken been weder zal
De
spreker
geachte
heeft
in
worden
zwaarste aanklacht tegen de Regeering ingebracht, die namelijk deze, dat
Kamer
zij
gezet.
tweede rede wel de hardste, de
zijn
hij
inbrengen kon,
de eere Gods met voeten zou hebben getreden. Ieder
toestemmen, dat men datgene, wat men met voeten En kan tegenover een man, die in alle bescheidenheid zich bewust is, hier te staan in de overtuiging, dat hij de eere Gods wil, iets vinnigers, iets wreeders verweten worden dan wanneer men hem in het debat ervan beschuldigt, dat hij de eere Gods met voeten treedt? Waarop sloeg dat? Hierop, dat het naar Christelijke belijdenis niet alleen ongeoorloofd is, Gods heiligen Naam te misbruiken, in
deze
zal
treedt, veracht.
maar
dat
ook geroepen
wij
om, waar
zijn
dit
door anderen geschiedt,
de personen, die zich daaraan schuldig maken,
te bestraffen. Er is een Gereformeerd soldaat, wiens predikant zegt: Als een officier tegen u vloekt, moet ge hem bestraffen. En de Minister van Oorlog zegt: In
dat geval zult
nantiën
geweest,
van zegt:
de
Gods. zooals
meest
„Doch
naaste,
gij
wie
zwijgen. Dat
wel
blijkt uit
geziene
het
ook
zij,
eene
en ten
met voeten treden van de
moralisten
zijn
ordi-
nooit erge fanatici
eene uitspraak van Justus Vermeer, een
moralisten
hieruit spreekt hij
was
De Gereformeerde
bij
het
vrage,
allen
Gereformeerde volk. Deze mensch zijn en plaatse over die zonde
namelijk, of een
tijde
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's