Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Parlementaire redevoeringen - pagina 464

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Parlementaire redevoeringen - pagina 464

Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.

2 minuten leestijd

ZITTING 1903—1904.

462

gebezigd zóó, dat iedereen weet, dat ze slaan op Ik heb

ook

niet

mannen en vrouwen.

begrepen, hoe de heer Borgesius nog eens voor de

vraag kon doen in zake het middelbaar onderwijs, met betrekking tot de namen „directeur" en „leeraar". Ik heb dat argument niet beantwoord, omdat ik dacht: het weerlegt zich zelve. Daar hij er echter op is teruggekomen, wil ik mijn gevoelen wel Wanneer in eene wet staat, dat iemand den titel krijgt van zeggen. directeur of leeraar, welnu, welke bedenking zou er dan ter wereld tegen wezen, om, wanneer daartoe eene vrouw benoemd wordt, ook haar

tweede

maal

zijn

De geachte afgevaardigde weet bij voorbeeld, dat titel te geven? ook wel vrouwen het ridderkruis krijgen. Meent hij soms ook, dat, omdat alleen van „ridder" gesproken wordt, eene vrouw in deze niet benoembaar zou zijn? Zeker niet. Voortdurend wordt immers in wetten een De mannelijk woord gebezigd, dat ook op vrouwen van toepassing is. geachte afgevaardigde stelt ook niet voor om, wanneer dit amendement werd aangenomen, wanneer dus de vrouw benoembaar werd, het woord „burgemeester" te veranderen in „burgemeesteresse". Dat zou hij ook dien

Wanneer ik nu aldus redeneerde: in de tegenwoordige wet komt het woord voor van „burgemeester", en daaruit volgt, dat de vrouw voor die betrekking niet benoembaar is, daar immers dat woord alleen voor den man en niet voor de vrouw geldt, dan had hij recht van spreken, maar nu dit niet zoo is, blijft den geachten afgevaardigde niets over. laten staan.

(De heer

De

Goeman Borgesius

geachte

afgevaardigde

zijn standpunt spreken;

De

geachte

mag

zal,

:

Op uw

als hij

ik het

dan

het

standpunt wel.)

woord

niet

afgevaardigde heeft op een

voert, toch wel

van

van het mijne doen? punt,

waarop

ik

hem even

dat de moest interrumpeeren, gezegd, dat ik beweerd zou grondwetgever in 1887 alleen, zooals hij dat uitdrukte, voor versiering of verfraaiing vóór het woord „Nederlander" het woord „mannelijk" zou hebben gezet. Ik moest daartegen protesteeren, want daarvan heb ik geen woord gezegd. Welke is mijn redeneering geweest? Niet, dat dit woord tot verfraaiing moest dienen, maar dat in de Grondwetten van

hebben,

1815 en 1848 het woord „Nederlander" werd opgevat uitsluitend in den zin van „mannelijk". De geachte afgevaardigde heeft toen gezegd, dat ik dat geheel verkeerd had ingezien, wijl in de Grondwet een art. 6 stond volgens hetwelk het Nederlanderschap bij de wet wordt geregeld.

Volkomen

juist.

Maar

ik

heb, toen ik straks sprak, uitdrukkelijk ge-

sproken van de wettelijke voorschriften, bepalende de benoembaarheid

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's

Parlementaire redevoeringen - pagina 464

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's