Parlementaire redevoeringen - pagina 459
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN. kon,
457
gerechtvaardigd
is. Alleen zij er op gewezen, hoe nu juist is wanneer de heeren te beslissen hadden, die dezen morgen het woord hebben gevoerd, zij tegen de benoeming van eene vrouw als burgemeester niet zouden opzien en dat zij dus de vrouw voor dat ambt geschikt achten. Is eene vrouw, afgezien van de bedoeling der wet, geschikt voor het Ter beantwoording daarvan herinner ik alleen burgemeesterschap? maar hieraan, dat de burgemeester ook is hoofd van de politie en dat vooral in kleine gemeenten de burgemeester als zoodanig niet zelden een manspersoon bij den kraag heeft moeten vatten om geweld te keer te gaan. En men zal mij toch wel toegeven, dat de vrouw daarvoor niet de meest geschikte persoon is, en dat, wanneer eene in dat opzicht geschikte vrouw mocht gevonden worden, deze juist wegens die eigenschap minder aanbevelenswaardig zou moeten geacht worden voor het ophouden van de waardigheid van het ambt. Intusschen herhaal ik, dat ik mij op dit argument niet beroep. Want het zou dan den schijn
gebleken,
dat,
hebben, alsof ik hier de zaak
Dat doe
ik
echter
Ik
niet!
tot
eene nieuwe beslissing wilde brengen.
wil
niets
veranderen
in
den bestaanden
toestand.
De
quaestie
bezigde
het
komt hierop neer, dat, waar de Grondwet vroeger woord „Nederlander", except in art. 180, in een geval alzoo, waarin de vrouw vanzelf is uitgesloten men door overneming van het woord „Nederlander" in de Gemeentewet desEn tijds vanzelf heeft beslist, dat de man alleen wordt bedoeld. wanneer wij, levende onder eene Gemeentewet, die het vroegere spraakgebruik van de Grondwet volgt, ter wille van het veranderde spraakgebruik der Grondwet, die Gemeentewet in dien zin veranderen, dat er het woord „mannelijk" ingevoegd wordt, dan veranderen wij niets, maar willen juist zij, die tegen de invoeging van het woord
—
—
,
bezwaar hebben, de zaak veranderen. Zij erkennen dit trouwens ook. Er is nog eene reden. Men zou, vurig voorstander zijnde van de leer, dat eene vrouw tot secretaris of ontvanger benoembaar moet zijn, toch eene
op
art.
vrouw kunnen benoemen, door
97,
maar toch
wat het zwagerschap niet
in
alle.
Het
is
aldus
betreft, gaat
te
redeneeren:
wel op
in
uw beroep
vele gevallen,
toch denkbaar, dat eene
vrouw geen
en dat haar ouders dood zijn. Ten aanzien van zulk eene vrouw zou er nooit quaestie van zwagerschap kunnen zijn. Men zou zich ook kunnen beroepen op het zijn van man enkelen
broeder
of
zuster
heeft
—
en vrouw, want daartegen waakt de Gemeentewet niet. Men komt wanneer men tegen het erkende spraakgebruik van hetgeen door de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's