Parlementaire redevoeringen - pagina 580
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
578
van
burgemeesters
van
noeming
burgemeesters,
uitgevaardigd,
gedaan
die
Wat
zijn.
en
enkele
benoemingen
de zaak van Harderwijk
weten, wat ongeveer een jaar geleden, voorgedaan, dat in Gouda bij de verkiezing van een lid voorde Tweede Kamer van de zijde der Joden klachten inkwamen, dat een van de stemdagen, ik weet niet juist welke, samenviel ik geloof met hun Grooten Verzoendag. Zoodra dat te mijner kennis is gekomen,
zoo
betreft,
kan,
standpunt
mijn
dunkt
deze
ten
mij, is.
de
Het
geachte heeft
afgevaardigde
zich,
om op die eens genomen bekomen, den datum te veranderen en daarmede de ingebrachte bezwaren te ondervangen. De geachte afgevaardigde kan wel onderstellen, dat, waar ik zelf zóó gehandeld heb, de handelwijze van den burgemeester van Harderwijk Ik heb dit dien burgemeester doen niet door mij wordt goedgekeurd. te kennen geven en bevorderd, dat de inhoud van een in dienzelfden geest gedane aanschrijving van 1898 nogmaals te zijner kennis werd heb
gebruik gemaakt van mijn recht
ik
slissing
terug
gebracht.
te
De
herinnering
bewees, dat
door mij
verlangd werd, dat
zou worden gehandeld. Intusschen moet de geachte afgeook vaardigde, de heer Schaper, op dit punt niet te zeer uit het oog verliezen iets wat hij zelf gecommemoreerd heeft, maar waarover hij spoedig in dien zin
heengleed,
nl.
dat
in
verscheidene van die gemeenten voor een groot
deel het bestaan der bevolking van de vischvangst afhangt, en dat daar
wanneer men de stemdagen worden uitgesloten van het niet op Zaterdag stelt, die menschen bijna deelnemen aan de stemming. Ik wijs er daarom op, dat niet eerst onder dezen burgemeester, maar ook onder zijn ambtsvoorganger dezelfde dus evenzeer bestaat de ongelegenheid,
dat,
moeilijkheid zich heeft voorgedaan, en dat ten gevolge daarvan die aan-
van mijn ambtsvoorganger in 1898 is uitgegaan. Men zal opmerken, dat de origine van die aanschrijving juist in de sociale toestanden moet gezocht worden, en de reden waarom ik meen, dat zij moet worden gehandhaafd, is, dat het bij de visschers betreft een gering schrijving
voordeel, dat moet opgeofferd worden, wanneer
komen,
terwijl het bij
van mijn
de Israëlieten
is
gemeend heb,
zij
vroeger willen thuis-
een conscientie-bezwaar. En waar
waar het mijn geestverwanten op conscientiebezwaar moest gelet worden, en dat zulk bezwaar moest primeeren, daar wensch ik van mijn kant, waar ik zelf de beslissing in handen heb, nooit anders te handelen.
ik
zijde steeds
dat,
betrof,
Wat de door den heer Schaper
ter
sprake gebrachte circulaire
betreft, zij
het mij gegund, daarbij tevens een van de punten, die door den geachten
gevaardigde, den heer Passtoors, besproken zijn,
te
af-
behandelen. Metterdaad
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's