Parlementaire redevoeringen - pagina 242
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
240 dat
men zou kunnen
minima,
die
in
de
volstaan
wet
zijn
met van
uitgedrukt?
Rijkswege Gevoelt
uit te
men
keeren de
niet,
dat
men
daarmede ongelijk recht zou scheppen? Immers met die minimumsalarissen, die voor hoofden en onderwijzers in hun verschillende gradatiën in de wet zijn aangegeven, zou een heel klein dorp, waar de levensstandaard, ik zeg niet onder het peil is, maar bijna onder het peil, hebben wat men verlangde. Maar daarentegen zou daarmee alles voor gemeenten van meerderen omvang, van duurderen levensstandaard, niet het allernoodigste gegeven zijn om die onderwijzers te betalen, doch slechts een deel daarvan. Daarom dient althans ernstig de vraag te worden overwogen, of men in het stelsel der. minima volgens het Unie-rapport niet moet komen tot classificatie der verschillende gemeenten, tot eene verdeeling in vier, vijf klassen, en of men, naarmate die klassen verschillende gemeenten omvatten, verschillende minima moet aannemen. Maar de heeren zullen mij ten goede houden, dat bij de gegeven becijfering op de absolute minima gerekend is, zoodat deze daardoor zouden klimmen. Een tweede bezwaar is, dat, wanneer men deze regeling invoert, er
van de massa schoolkinderen. Het is aan geen twijfel onderhevig, of de verhuizing van de openbare naar de bijzondere school zal door zulk een maatregel niet worden gestuit, eer ongetwijfeld
verschuiving komt
bevorderd, en daardoor zal dat,
waar men
in
meer dan ééne
plaats het ongerief ontstaan,
dusverre volledig bezette scholen had, zoodat het
tot
voor volle klassen, het aantal leerlingen daalt en men zal krijgen, zoowel bij het bijzonder als bij het openbaar onderwijs zeer veel klassen, waar voor weinig, zeg 12 of 20 leerlingen, En het gevolg daarvan een onderwijzer afzonderlijk zal moeten staan. aantal onderwijzers dienst deed
moeten worden verhoogd. wanneer men deze regeling invoert, uit den aard der zaak de gemeente zooveel minder aan uituitkeering zal moeten ontvangen als zij thans voor het onderwijs ontvangt. Wanneer de verhouding tusschen de schooluitgaven en de van het Rijk zal zijn, dat
Eindelijk
komende
de toe
is
het
te
kennen bijdrage
een derde bezwaar,
uitkeering
in
zal
dat,
de verschillende gemeenten proportioneel gelijk
ware, dan zou dat niet zoo groote moeilijkheden opleveren, maar wanneer
men voor mij
heb
zich legt een vergelijkenden staat, gelijk ik er hier een
liggen
voor
de provincie Utrecht,
en men
ziet,
voor
hoe er geen
trekken op de verhouding van het bedrag eenerzijds, dat het Rijk nu uitkeert volgens de wet van 1897 en de wet op het lager onder-
peil
wijs,
is
te
en van hetgeen anderzijds de gemeente van het Rijk zou ontvangen
volgens de nieuwe regeling, dan komt reeds het eerste jaar vastrijdt.
men
tot
men men met
de overtuiging, dat
Ik versta onder vastrijden, dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's