Parlementaire redevoeringen - pagina 588
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903
586
— 1904.
het door den heer Schaper medegedeelde
indien
—
volkomen
juist is,
inderdaad eene leemte bestaat.
—
weersproken werkgevers geheel overeenstemt met het geval der werklieden, dan stem ik den geachten spreker gaarne toe, dat het zeer bevreemden moet, dat Gedeputeerde Staten ten aanzien van de werklieden meenden, de voorgedragenen niet te kunnen benoemen, omdat ze, zooals verondersteld werd, de benoeming niet wenschten, en anderzijds de werkgevers wèl benoemden, hoewel formeel uit de voorhanden stukken dezelfde conclusie te hunnen aanzien moest getrokken worden. De geachte spreker houde het mij ten goede, maar dit punt is niet in het Voorloopig Verslag besproken en, om te kunnen beoordeelen of beide gevallen gelijkstaan, zouden de stukken uit Haarlem moeten komen. en
het
is
niet
,
Indien
het geval der
Ik kan slechts een hypothetisch oordeel vellen en
dit is
aldus
:
als het is,
ongewone welke zonder meer
zooals de geachte spreker zegt, dan stem ik toe, dat het eene wijze
van handelen
is
van Gedeputeerde Staten,
zich niet laat rechtvaardigen.
geachte spreker is nogmaals teruggekomen op het gebeurde bij van den burgemeester van Wierden en zeide daarbij, dat benoeming de ik met dergelijke bekeerlingen wat voorzichtiger zijn moest. Hij gelieve van mij aan te nemen de verklaring, dat dit het eerste geval is van zulk eene benoeming onder mijn bewind. Nu zeide ik zooeven, dat het getuigenis, hetwelk ik ontvangen had van een predikant, voor mij voldoende was. De geachte spreker ontkende dit en zeide, dat dit slechts een bewijs is, dat die man eenige formules van buiten kon leeren. Maar ten goede, wanneer ik, die zelf predikant geweest ben, hij houde mij hem verzeker, dat, als hij meent, dat de godsdienstige opleiding, welke
De
men
predikant geeft,
als
karakter draagt, hij dan geen juist oordeel den predikant en den catechumeen geschiedt. er tegen opgekomen, dat door mij gesproken ik gedaan heb, over den toestand, waarin van dit
heeft over hetgeen tusschen
De
heer Drucker
was, in
dier
lieverlede
voege
is
als
op
burgemeesters
zeer
hoogen
leeftijd
gaan verkeeren.
Hij verlieze daarbij niet uit het oog, dat mij verweten was, eene circulaire
hebben uitgevaardigd met de bedoeling, aan een aantal oude burgete ontnemen en daardoor de gelegenheid te openen, geestverwanten van de verschillende groepen van het Kabinet daarvoor in de plaats te stellen. Waar zoo laatdunkende verklaring van die circu-
te
meesters het ambt
laire
was gegeven, daar was het mijn plicht, aan te toonen, gelijk ik voorgekomen omstandigheid van zeer ernstigen aard mijn
deed, dat eene
aandacht op deze aangelegenheid gevestigd en mij genoodzaakt had, ten
deze eenige maatregelen
te
nemen.
De
bewering, dat ik daarmede het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's