Parlementaire redevoeringen - pagina 6
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1901—1902.
4
dat
ingetreden,
wijziging
is
heerscht.
Het
dus
lag
niet in
het Regeeringsbeleid
daardoor
wordt be-
de bedoeling van de Troonrede,
—
— zooals
om eene geheele nuttelooze de geachte afgevaardigde schijnt te meenen laatste Troonrede was wegin de Ministerie phrase, die door het vorig weer
er
gelaten,
onze natie
Wanneer van den
in
toestand
die
toestand
de
in
meen
onze,
den
zij
dat
ik,
vellen over
het niet een bespreken
is
in
absoluten zin,
men dan andere volken
volstrekt
op
niet uitsluitend
maar
vergelijkt
met
stoffelijk gebied,
oog had, maar op
alleen het
geestelijk
komt en men in hun dan hoort men gedurig ons volk gelukkig prijzen, met name om
Wanneer men
gelukkig kan doorstaan.
volken
te
onze natie den toets der vergelijking met andere
gebied
stoffelijk
een oordeel
maanden
paar
waarop de geachte afgevaardigde èn
om
laatsten tijd bestaat.
besproken wordt, laatste
"Wanneer
vergelijkenderwijze. het
brengen, maar
te
zooals
als natie,
,
buitenaf
spreekt met mannen, die ónze toestanden kennen èn de toestanden eigen land,
de groote mate van vrijheid, die
De
jaar
laatste
enkel
gewezen.
gegevens
stastistieke
Om
jaar?
ons land
in elk opzicht
genoten wordt.
afgevaardigde heeft op de klimming van het sterftecijfer
geachte
het
in
in
Maar
bespreekt,
den
nu aan om, wanneer men
gaat het
spreken over een gegeven van een
te
volkstoestand
in
generalen zin
te
beoordeelen,
men moeten vragen, of het sterftecijfer in het algemeen toeneemt of daalt. Over een zeker aantal jaren is het sterftecijfer in ons land aanmerkelijk gedaald en juist daaruit kan men de conclusie trekken, zou
voeding en de hygiënische gegevens
de
dat
worden.
worden en
te
om
waren
Wij
eene
zijn
bovendien
om
thans op weg, niet
mannelijke
fatsoenlijke
ons land beter
in
zijn ge-
dwergen worden, maar toch
de laatste jaren op weg,
in
reuzen
te
gestalte te verkrijgen.
In
1863 had
12,98 pet. der bevolking eene lengte onder de 1,55 M., in 1899 slechts
Boven de
2,89 pet.
Men
ziet
dus
uit
1,70 M, waren in 1863 23 pet., in 1899 38,79 den groei van ons volk, dat gezonder toestanden
ingetreden en dat de voeding beter
Wanneer men postspaarbank
in
voorts '97
dat
ziet,
is
pet.
zijn
geworden.
de ingebrachte posten
geklommen waren
tot
bij
de Rijks-
f627,400 met een ingebracht
van f61,641,000,. terwijl dit in 1881 slechts was f8,950,000, dan zou men kunnen zeggen, dat dit ligt aan den achteruitgang van de particuliere banken, wijl deze, toen de Rijkspostspaarbank begon te
kapitaal
stijgen,
die
perk
in
te
1881
niet
gegaan
zijn.
Maar
het tegendeel
een kapitaal hadden van f38,144,000
geklommen
tot
f75,050,000.
minder dan 36,167 werklieden.
Ook
zijn
is
waar. Die banken,
zijn in hetzelfde tijd-
onder de inleggers
niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's