Parlementaire redevoeringen - pagina 162
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1901
160
— 1902.
WETSONTWERP
tot uitvoering van art. 75 der Ongevallenwet 1901, betreffende de Raden van Beroep.
Vergadering van
Mijnheer de
5
September
1902.
in opgewekte stemming, na de zorgingekomen omtrent den toestand van mijn geachten ambtgenoot van Koloniën, ga ik de noch aangename noch gemakkelijke taak ondernemen, om het gisteren hier gesprokene over de samenstelling van de Raden van Beroep te beantwoorden. Ik stel daarbij op den voorgrond, dat de Kamer en de Regeering zich hier gesteld vinden voor een uiterst moeilijk vraagstuk; het probleem, dat
wekkende
Voorzitter!
Niet
berichten, die zijn
op
oplossing wacht, is ingewikkeld, en die oplossing moet aanvaard worden onder den zweepslag van den spoed, waar toch èn bij de Kamer èn bij de Regeering niet alleen de wensch, maar ook de wil mag geacht worden te bestaan, om in elk geval de ongevallenverzekering met Januari 1903 in werking te doen treden. De taak, ons hierbij voorgelegd, wordt nog in tweeërlei opzicht 1
bemoeilijkt.
In
de
eerste
plaats
hierdoor, dat noch over het voorstel
der Regeering, noch over de daarmede evenwijdig loopende voorstellen
van de heeren Helsdingen cum schriftelijk
overleg
suis
en van den heer Talma cum suo En in de heeft plaats gehad.
of sectie-onderzoek
tweede plaats door de omstandigheid, de Regeering
zoowel
dat,
in het voorstel
van
de beide zooeven genoemde voorstellen, de eigenlijke
als in
wordt overgelaten door delegatie van macht aan een algemeenen maatregel van bestuur. Het gevolg hiervan is, dat de leden van de Kamer, die over het voorstel der Regeering spraken, zich slag op slag, niet door hun schuld, omtrent de bedoeling der Regeering veroplossing
Hoeverre
gisten.
in
zulke omstandigheden de
spraakverwarring kan
gaan, blijkt wel duidelijk uit hetgeen door den heer
over
Talma
is
gesproken
Die geachte van de Regeering iemand, die de in art. 13 bedoelde kaart verlangt, niets heeft te doen dan naar den burgemeester te gaan en te zeggen ik moet eene kaart hebben, de
onuitvoerbaarheid van het
Regeeringsvoorstel.
afgevaardigde toch stelde het voor, alsof in het
stelsel
:
en dat de burgemeester dan maar moet weten, waar de man is te vinden, en ontdekken, of deze al dan niet bevoegd is, eene kaart te ontvangen.
Nu
blijkt
echter
uit
eene eenigszins aandachtige lezing van
art.
13,
dat
die bewering lijnrecht tegen het voorstel en de bedoeling der Regeering
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's