Parlementaire redevoeringen - pagina 318
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
316
De
spreker heeft laten doorschemeren, dat mijnerzijds eene
geachte
was gebezigd, toen ik beweerde, dat van sociaal-democratische zijde wel gesproken was over het volkskind, gelijk men het noemde, maar dat het niet bekend is, dat van die zijde Ik wees er op, dat dit juist vaa ooit daarvoor offers zijn gebracht. minder
uitdrukking
juiste
de zijde der anti-revolutionairen en Roomsch-Katholieken wel geschied en hij antwoordde daarop, dat hij, thuiskomende, eens in zijn huis-
is,
zou
houdboekje
wat
nazien,
in
zijn
huishouding ten behoeve van de
Er is geen sprake van armen was besteed. Dit is wat men aan armen doet, aan weldadigheid, want de quaestie betrof het onderwijs aan het volkskind. En met het oog hierop zeide ik, dat de sociaal-democraten nergens eigen scholen hebben gesticht, nergens op het gebied van het onderwijs voor het volkskind uitgaven hebben geen antwoord!
gedaan, en dat daartegenover staan de aanmerkelijke uitgaven, voor dat doel onzerzijds ten behoeve der mingegoeden betaald.
Verder heeft de geachte spreker zich zoo uitgelaten, als zou door van deze tafel, en door anderen onder mijn geestverwanten hier, met zekere verwaandheid worden nedergezien op de kleine luyden.
mij
Het
schijnt,
alsof de
geachte afgevaardigde en zijn geestverwanten er
aanspraak op maken, een zeker monopolie
mannen,
te
bezitten, in dien zin, dat
hebben voor het kleine volk, die voor zij strijden en omdat zij zich inbeelden, zulk een monohen opkomen en polie te bezitten, zijn zij blind voor hetgeen anderen in dit opzicht doen. alleen zijn de
die hart
;
de derde plaats heeft de geachte afgevaardigde mij euvel geduid,
In
dat
ik
ook
ter
over, dat ik
dit
heb
sprake
sociaal-democratisehe
gebracht
de
arbeiderscongres.
Ik
gedaan heb, en had ik het
nog doen. Wanneer een
motie,
draag niet
aangenomen op het er nog geen leed
gedaan, dan zou ik het
afgevaardigde, een strijdlustig
man
als
weinigen,
na hier een tijd lang niet te zijn verschenen, terugkomt en dan in de eerste de beste rede, die hij houdt, opkomt niet voor een belang, dat zijn partij raakt,
wijzers,
maar voor de
dan heeft
insinuatie,
men
de vraag
te
rechtspositie
alleszins het recht, stellen,
wat dien
van de Christelijke onderen
man
is
het in het minst geen
beweegt, de eerste maal
Wanneer wij dan hebben eene motie, zooals die, aldus te spreken. welke ik heb voorgelezen, dan heeft dit niets te maken met wat De Standaard en De Hollander hebben geschreven. Een dergelijk vertoog heeft, nu althans, ten opzichte van Minister en Kabinet zin noch beteekenis. Maar wanneer blijkt, dat in die motie duidelijk geschreven staat,
dat
onderwijs
die inschikkelijkheid, die wil,
niet is
om
men
het recht
ten opzichte van het bijzonder van het bijzonder onderwijs, maar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's