Parlementaire redevoeringen - pagina 416
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
414
van die voordracht hebben bewogen, reeds vooruit de meening uitspreekt, voordracht bestrijden
men
gaat
scheen
zal,
—
dan
zeker opzicht toch
in
hedenmorgen
dat
maar
kring,
particulieren
in
niet
in de Kamer, dat men de moet ieder mijns inziens toegeven
openlijk
—
dit
Ook
ver.
te
gevoelen, toen
te
Goeman
de heer
bepaalde
zich
hij
Borgesius het
tot
uitspreken van zekere teleurstelling of verbazing over de bewuste ver-
Het spreekt
van de Regeering.
klaring
dat mijnerzijds over
vanzelf,
deze aangelegenheid thans geen woord meer wordt gezegd.
besproken wetsontwerp
het
zal
tijd
dan
bij
de
Te
Kamer worden
zijner
ingediend,
voor de Regeering de gelegenheid gekomen, de motieven als voor wat aangaat den vorm en de mate van uitbreiding, welke de Regeering meenen zal te moeten voorstellen, om het door haar beoogde doel te en
aan
is
geven, zoowel voor wat betreft de indiening zelve
te
bereiken.
Ook vraag tot
door den heer Troelstra
is
hem
is
eens
zoodanige
Op
uit
vraag
die
reden,
men
erkent het
men
is
ook
het
voorkomt,
mij
het
wel
om
110,
art.
—
het zoo
185 der Grondwet.
art.
om
de eenvoudige
vanzelf spreekt, dat,
al
10 der Militiewet, van eene leemte in art. door den heer Troelstra werd ontwikkeld, toe komt, zoo maar eens even zich uit te laten over eene
zelf het bestaan niet in die
er toch niet
mocht komen
10 der Militiewet
zou worden aan
gelijk
indien het door haar
gisteren door mij niet geantwoord,
naar
dat,
1
—
zou voorstellen, dat
wijziging
drukken,
te
art.
De
over de Militiewet gesproken.
herhaald, of de Regeering
eene nieuwe behandeling van
daarin
zij
door
mate
1
als
door dien geachten spreker
wijziging, gelijk die
in
concreten
vorm werd
aangegeven.
Door den heer besprak,
Troelstra
is
verder, toen
aanmerking gemaakt,
de
hij
mijn rede van gisteren
dat ik geen zakelijke wederlegging
gegeven van het door hem gevoerde betoog. Ik zie waarlijk niet in. Mijnheer de Voorzitter, dat er voor de Regeering aanleiding bestond of bestaat om, waar over zekere materie in den breede van antwoord is gediend, gelijk geschied is bij de interpellatie, door had
—
den geachten en wel
bij
afgevaardigde
zelf
hier
gehouden
—
,
ten tweeden male,
de behandeling van een wetsontwerp van beperkte strekking
daarom er toe en verwees naar hetgeen desaangaande bij de interpellatie was verklaard, en ik meen ook op dit oogenblik m.ij nog tot dit antwoord te moeten bepalen. als
dit,
bepaald,
Voorts opzichte
te
herhalen
wat
gezegd
toen
te
is door van den
strijd
den
geachten
om
is.
Ik heb mij
dat ik alsnog mij hield
verklaren,
gisteren
afgevaardigde
bij
beweerd,
dat
ik,
ten
de macht, gisteren niets anders gezegd had
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's