Parlementaire redevoeringen - pagina 160
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1901—1902.
158
op de
gebracht
bedenking,
wijl
kiezerslijst
der nieuwe gemeente.
daardoor enkele personen
tijdelijk,
Daartegen had nl.
tot
men
aan de vast-
van hun kiesrecht zullen zijn verstoken. Wat het Verslag daaromtrent aan de hand doet, kan intusschen niet leiden tot den uitweg, dien men zoekt. Men zou dan de betrokkenen niet
aangevulde
der
stelling
eerst
kiezerslijst,
schrappen, maar eerst de verschillende kiezers overbrengen
nieuwe gemeenten en eerste daarna van die overbrenging kennis geven aan de gemeente, waartoe zij vroeger behoorden, opdat daarna de schrapping zou kunnen volgen. Dit zou echter tegen den op de
aard
kiezerslijsten der
en de economie van de Kieswet ingaan, want dan zouden de be-
het ook voor korten tijd, dubbel kiezer zijn. nog staan op de lijst der vroegere gemeente en Wel geef ik toe, dat onderwijl gebracht worden op die der nieuwe. door de in het wetsontwerp gevolgde methode op zeker oogenblik eenige kiezers ontkiezerd zullen worden, maar men zal mij toestemmen, dat, waar de aanbevolen uitweg gesloten is, het niet anders kan. Degenen, die wat het wetsontwerp voorstelt niet willen, zouden, om hun doel te Dan blijft bereiken, moeten voorstellen, geheel art. 6 te schrappen. gedurende de rest van het jaar de oude lijst van kracht, totdat op 15 Mei 1903 de nieuwe kiezerslijst wordt vastgesteld, en behouden de overgaande personen hun kiesrecht in hun oude gemeente. In de derde plaats is de opmerking gemaakt, dat wel rekening is gehouden met de opcenten op de grond- en op de personeele belasting, maar niet met de uitkeering krachtens de wet van 24 Mei 1897, en wordt gevraagd, waarom aldus wordt gehandeld. Wat hier gewenscht wordt, Mijnheer de Voorzitter, zou, meen ik, bij een wetsontwerp als
trokken
personen,
Immers zouden
hier
onder
komen
zij
zij
handen
is,
niet
mogen
—
geschieden.
Wanneer men
er
toe
meen, dat daarvoor wel iets te zeggen valt indien er eene groote verschuiving van bevolking van de eene gemeente naar de andere plaats heeft, zoo te redeneeren: indien Januari 1896 dit deel reeds tot de andere gemeente zou wil,
bij
grenswijzigingen,
—
en
ik
,
1
hebben behoord, dan zou de multiplicator volgens art. 2 van de wet op de uitkeeringen voor die gemeente hooger worden, en daarentegen voor de andere gemeente lager zijn geweest, wanneer men zoo wil
—
vergete men niet, dat men niet rekening kan houden met het deel van de bevolking, dat thans overgaat, maar dat men zou moeten berekenen, welk deel van de bevolking het gescheeld zou hebben op 1 Januari 1896. Zal dit altoos mogelijk zijn? Voorts is in de wet op de uitkeeringen in art. 5 ten aanzien van de
redeneeren, dan
grenswijzigingen
eene zeer beperkte regeling gegeven, uitsluitend voor
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's