Parlementaire redevoeringen - pagina 193
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
NOOD OP MIDDEN-JAVA. geloof
Ik
dat,
toch,
191
wanneer men zulke berichten
Indië krijgt,
uit
de Regeering volstrekt niet mag geacht worden niet op de hoogte van den nood te zijn en dat ook niet kan worden gezegd, dat zij dien nood met onverschilligheid
Dat
heeft aangezien.
metterdaad het geval
is
Wanneer de geachte afgevaardigde komt
niet.
de diepere oorzaak van
tot
toestand, dan zou ik daarover, voorloopig althans, in afwachting van de benoeming van den nieuwen Minister van Koloniën, niet te veel Toch wil ik nu in zóóver met den geachten afgevaarwillen zeggen. medegaan, dat ik het uitspreek, dat wie zich inbeeldt den nu digde
dien
ontstanen toestand uitsluitend
moeten wijten aan een
te
tijdelijk
verkeerd
uitgevallen oogst, de diepere oorzaak der ellende niet doorziet. Ik geloof, dat
daarin
hij
volkomen
gelijk heeft, dat
de reusachtige toeneming van
de bevolking, dus van de consumenten, zonder dat daartegenover stond de mogelijkheid van eene even sterke toeneming van het aantal producenten, in verband
gekomen
eene
zijn,
mislukking
ook met de veranderingen,
alleen,
niet
die er
blijvende oorzaak zal blijken te
bij
de afwateringen
wezen van
maar van eene toeneming van
oogst-
ellende, en
van
eene oeconomische inzinking der bevolking van Midden-Java. Ik geloof, dat
juist
daarom de Regeering volkomen gerechtvaardigd
is,
die het
vorig jaar onmiddellijk den toestand aldus heeft ingezien en een onder-
zoek heeft noozakelijk geacht. Maar en
opvat
de
oorzaak
niet
juist
wanneer men de zaak dieper
eenvoudig zoekt
in
een enkelen mislukten
van oeconomische verhoudingen, heeft men dat zal de geachte afgevaardigde mij toestemmen tot opheffing daarvan niet maar opeens eene commissie te benoemen, die morgen aan het werk gaat en overmogen met haar resultaten voor den dag maai^ in
oogst,
het gansche stel
—
—
komt, serieus
maar is noodzakelijk een werkelijk degelijk onderzoek, dat zóó moet worden opgevat, dat het niet in korten tijd kan worden
voltooid.
Handelingen,
blz.
46—47.
vermoed, dat de opmerkingen schuldig had gemaakt aan persoonlijke insinuatie. Integendeel, ik heb zeer goed begrepen, dat hij voor zich de overtuiging had, dat van die geruchten niets waar was. Ik weet, dat de heer Mees bij het interview met den Mijnheer
heer
Mees
reporter
gelooven.
de
Voorzitter!
zich straks
van
de
Maar
bij
Ik
het
heb
maken
Temps verklaard hij
zal het mij
geen oogenblik zijner
heeft,
van
die geruchten niets te
ten goede houden, dat ik,
zulke zaken hier ter sprake brengt, niet alleen met
hem
te
wanneer
hij
rekenen heb,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's