Parlementaire redevoeringen - pagina 386
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
;
ZITTING 1902—1903.
384
Hiermede meen ik, Mijnheer de Voorzitter, de twee laatste vragen beantwoord te hebben. Ik mocht daarbij den burgemeester van Blaricum niet sparen, omdat, naar het mij voorkomt, waar feiten plaats grepen die een menschenleven hebben gekost, geen hiërarchische neiging, om een en ander te dekken, ook maar in eenig opzicht het recht krenken mocht. Maar na aldus geantwoord te hebben, meen ik toch, er van deze plaats te moeten bijvoegen, dat er in de omstandigheden, waarin Blaricum op dat oogenblik verkeerde, wel veel was, dat als verzachtende omstandigheid ten opzichte van den burgemeester pleit. Men was daar in die gemeente onrustig. De burgemeester had moeilijke dagen doorleefd stond voor eene onzekere toekomst, waarvan hij niet recht wist, hij waar het heenging, en de tijd om te beslissen was kort. Dat een burgemeester van een klein dorp in zulke omstandigheden, en in zulk een oogenblik, zich vergist een
die
toch
is
wetsartikel
hem
in
ook van de andere
zachtende omstandigheid
moeten brengen.
Maar
deze plaats wensch
uit
de
juiste
opvatting van de bevoegdheid,
toekent, vind ik wel diep te betreuren, zijde niet geheel onbegrijpelijk.
meen dit te
ik
dus
neemt
ter
niet
maar
Die ver-
verdediging in aanmerking
te
weg, dat ik het eveneens van
spreken, dat de Regeering het ten hoogste
niet juiste opvatting van zijn bevoegdheid door menschenleven vernietigd is geworden. V/are gehandeld geworden op eenvoudige en natuurlijke wijze, die jonge man zou nog in het leven zijn en de familie Smidt zou niet den rouw dragen, waaronder zij op dit oogenblik gebukt gaat. 1236. Handelingen, blz. 1234
betreurt, dat,
een
door eene
ambtenaar,
een
—
Mijnheer
de Voorzitter!
Ik
zou
niet
gaarne,
door het zwijgen
te
tot het gesprokene door den laatsten spreker over de handeling van den waarnemenden burgemeester van Naarden, den schijn willen doen ontstaan, alsof ik zonder meer die handeling zou goedkeuren. Heb ik als burgemeester eenmaal militairen gerequireerd, en hun het keeren als consigne gegeven, dan helpt het niet, of ik al tot hen zeg, dat zij niet mogen schieten. Immers, militairen, die stuiten op verzet, moeten
doen
handelen, en zoo zij dan niet schieten mogen, dan nemen ze de bajonet, en een steek met de bajonet kan even doodelijk zijn als een schot. Het komt mij daarom voor, dat ook de waarnemende burgemeester van Naarden wel militairen had mogen medenemen, om, greep er geweld tegen personen plaats en werd de orde verstoord, alsdan van de wapenen
gebruik
te
maken, maar
die militairen
hadden
in
geen geval mogen ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's