Parlementaire redevoeringen - pagina 115
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
VACCINEDWANG. •de
geachte afgevaardigde
Ik
begrijp,
geloovige Protestanten deterministische
om
Goes
in
opvatting
men
heeft opgemerkt,
maar
is
op een misverstand. Er is onder de
onjuist.
den lande een zeker aantal geweest, dat eene van het Godsbestuur had, die hen tot de
leidde, dat
tegen
God
zelf
oppositie tegen de bepaling in de wet
de
het
zou ingaan, indien men iets deed eene ziekte te bestrijden. Dat gevoelen, hetwelk anti-gereformeerd tegenwoordig zoo goed als de wereld uit. Daarentegen heeft de is
meening is,
uit
dat dit gezegd wordt,
113
anti-revolutionaire
dan
partij
daaraan, dat
op de besmettelijke ziekten onder
nooit aan iets anders haar kracht ontleend
men aan een vader dwang
heeft willen aandoen Het is tegen die aanranding van het vaderlijk gezag, tegen die aanranding van de persoonlijke vrijheid, dat men van anti-revolutionaire zijde heeft gereageerd. Wij hebben steeds gevoeld, juist
ten opzichte
—
al
van
zijn kind.
begrijp ik, dat de leden der linkerzijde zich daarin niet gemakkelijk
—
kunnen indenken dat, hoewel zij beweerden de vrijheid te brengen en ook over ons de banier der vrijheid op te heffen om ook ons met die vrijheid te zegenen, dit daarentegen feitelijk neerkwam op het ons telkens aanleggen van nieuwe banden. De vaccinedwang was één dier banden. Welnu, het is het verlangen om één van die banden los te rafelen, zonder anderen te hinderen, dat ook mij bewogen heeft, te zeggen, dat ik wenschte te beginnen met voor enkele bijzondere scholen ontheffing van art. 17 der wet op de besmettelijke ziekten voor te stellen. Ik meen hiermede genoeg over de vaccinequaestie gezegd te hebben, en ik kom nu tot de verpleging van de krankzinnigen. De krankzinnigenverpleging is inderdaad een van de aangrijpendste onderwerpen van wetgeving, die men hier bespreken kan. Dat wij ten deze met onze wetgeving zijn daar, waar wij zijn moeten, moet ik beslist ontkennen. Terwijl ik reeds vóór mijn ministerschap vermoeden heb gehad, dat onze Krankzinnigenwet verkeerd werkte, heb ik, gedurenden den korten van de
tijd,
dat
inspecteurs
,
ik
in
functie
ben,
reeds zooveel gezien, zooveel
gehoord, dat ik nog veel dieper doordrongen ben
van de overtuiging, dat ten opzichte van de verpleging van krankzinnigen nog heel wat reformatie zal moeten plaats hebben, zullen wij komen waar wij wezen moeten. ben begonnen, ten opzichte van Gheel, waarover de heer Van Kol sprak, te zorgen, dat de zendingen daarheen niet gestuit worden. Ik
Men had
dit doen verblijven in Gheel van diegenen, voor wie ook wordt verstrekt, daarom zoeken te belemmeren, dat men zeide: men kan van Staatswege op het terrein van eene andere Mogend-
Rijksgeld
heid geen toezicht uitoefenen, en het gaat niet aan, Rijksgeld
uit te
geven 8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's