Parlementaire redevoeringen - pagina 428
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
426
men
hebben de heeren gewonnen spel; want dan staan we niet voor t^n futurum^ maar voor een verleden. En als men een klein verleden kan ontdekken, dan kan men er ook een groot verleden in vinden. Dat drie
periode
zitten.
Natuurlijk,
als
dat
niet toegeeft,
spreekt vanzelf.
(De heer Borgesius: Men moet altijd een deel van het verleden dekken, want bij de stemming over de wet, volgens art. 1 10 tweede zinsnede,
er
is
altijd
reeds eenige
tijd
na de eerste zes weken verloopen.)
Het doet mij genoegen dat de heer Borgesius nu juist zelf opmerkt wat ik zeggen ging, en daarmede nu ook zijnerzijds erkent, dat er drie Hij zegt zelf, dat bij de stemming over de wet altijd perioden zijn. eenige is
tijd
juist
na de eerste periode en eer de wet er is. Dat beweerd heb. Alleen neemt de geachte spreker toch
verloopen
wat
ik
is
Röell, die de tweede periode in van den heer zeggende dat die gedekt wordt door de wet, die komt. Maar daartegen kom ik op, en herhaal, dat er zijn drie perioden en dat alleen de derde wordt gedekt op het oogenblik, waarop de wet in
weer het standpunt ontkent,
werking
treedt.
Handelingen, De
motie wordt, in stemming gebracht, met 42 tegen 33 stemmen aangenomen.
blz.
1383.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's