Parlementaire redevoeringen - pagina 454
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
452
WETSONTWERP
tot wijziging van de Gemeentewet: Benoembaarheid van vrouwen tot Burgemeester, Secretaris en Ontvanger Het feminisme — De eedsquaesiie — Ontslag Bevolkingsregister en burgerlijke stand — Benoemingen Verdeeling van kosten tusschen Rijk en Gemeente Vereischten voor het raadslidmaatschap.
—
—
—
—
Vergadering van
De
13
Mijnheer
de
Voorzitter!
voorstellers
dit
amendement verdedigd
October
geachte
afgevaardigde, die heeft,
wijzen, dat door mij vroeger als Kamerlid
om
strekkende en
dat
keerig
voorts,
ik te
tot
zijn
komen voor
scheidsrechters
ook
van
als
het
meende
te
die
ook vrouwen benoembaar
aangeven
moeten innemen.
feminisme een deel,
Er dat
de is
ik
te
verklaren
Minister, wél blijken heb gegeven, niet af-
denkbeeld,
vrouwen
betrekkingen, waaromtrent dat
zal
namens de moeten
er op te
gestemd vóór het voorstel,
is
tot
in
positie,
het
die
streven
gerechtvaardigd
aanmerking
in
te
doen
dusverre geen usance was.
Deze opmerking van den geachten spreker lichting,
1903.
ik
vereischt
meen
van en
bij
wat een
eenige
toe-
deze quaestie
men noemt ander
deel,
het
dat
Tegenover elkander staan twee meeningen, twee uitersten. De meening van hen, die oordeelen, dat ten dezen opzichte de toestand geheel moet blijven gelijk die is, en die van hen, die oordeelen, dat men niet mag rusten alvorens, in verheerlijking van het absolute individualisme, op staatsrechtelijk gebied in de wettelijke voorschriften alle verschil tusschen man en vrouw is opgeheven. Bij de keuze tusschen deze twee uitersten, zou ik mijnerzijds noch het eene noch het andere standpunt willen innemen. Naar mijn overtuiging behoort er metterdaad, bij eene vergelijking van de positie van den man met die van de vrouw, eenerzijds gerekend te worden met natuurwetten, die uit den aard der zaak onveranderlijk zijn, maar ook anderzijds met menschelijke wetten, hetzij van sociale usance, hetzij van ik
ongerechtvaardigd
zou willen noemen.
voor verandering vatbaar zijn. Voorts keuren van die menschelijke voorschriften steeds zal moeten gevraagd worden, of zij logisch en consequent voortvloeien uit die onveranderlijke natuurwetten, dan wel of ze eenvoudig
wettelijke voorschriften, die wel
meen
ik
berusten
bedoelde
ook, dat
bij
het
op eigen discretionaire vinding. Ten aanzien van het laatstben ik er niet blind voor, dat metterdaad de mannelijke helh
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's