Parlementaire redevoeringen - pagina 119
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
,
VRIJMAKING VAN HET ONDERWIJS. recht verkregen hebben, niet
Hebben
tegenstanders. In
het:
isolement
ligt
vrienden alleen, maar ook
zijn
bij
wij
gisteren
mijn
kracht?
woorden eene suggestieve kracht
117
nog
hooren
niet
Dat bewijst
bij zijn
herinneren aan
juist,
dat
van zulke
uitgaat, die propageert.
Misschien is eene eigenaardigheid van leden der anti-revolutionaire partij, om zulke uitdrukkingen te gebruiken, en aangezien ik nog steeds tot die het
behoor, zie ik niet
partij
De
heer
waarom
in,
De Savornin Lohman
ik die
gewoonte
niet
zou voortzetten.
heeft de zeer gewichtige quaestie be-
sproken, in hoeverre het onderwijs,
—
en ik bepaal mij nu maar alleen
onderwijs, hetwelk hier toch de hoofdgedachte inneemt
tot het lager
—
meer en meer vrijgemaakt wordende, toch altoos verbonden moet blijven Die vraag kan beantwoord worden, al naar het aan de Overheid. standpunt, waarop men zich plaatst. Als men zich plaatst op een en in het afgetrokkene beschouwt, hoe de zaak zou kan ik het met dien geachten spreker niet eens zijn, maar meer kunnen vereenigen met de opvatting van Thorbecke,
standpunt,
ideëel
kunnen
zijn,
zou
mij
ik
meen
dezer voege uitliet: „Een land waar zou zich zeer wel gevoelen." Als de oeconomische toestand van het volk zóó ware, dat ieder vader, dat elke die
1852,
in
enkel
delijk
scholen
bijzondere
moeder, die
weduwe
onderwijs
zich
ik,
tot
is
in
zijn,
geworden, den kostenden
prijs
van goed deug-
aan de voltooiing toe zou kunnen betalen, dan zou
waarom men de burgers nog
hun vrijheid zou moeten beperken. Zoover zijn wij echter nog niet; men moet zich niet op een ideëel afgetrokken standpunt plaatsen, maar rekening houden met de werkelijkheid. In de eerste eeuw zal een dergelijke toestand van oeconomische en intellectueele ontwikkeling zich nog wel niet voordoen, ik niet inzien,
en te
daar
dit
Kabinet
werken, meen
ik,
opgetreden
niet
dat wij
op
dit
is
in
om
voor de volgende eeuw
oogenblik die quaestie kunnen
ter
zijde stellen.
Wat den toestand van het oogenblik van den geachten afgevaardigde als hij wijs inderdaad
op de Overheid
Men
rust,
betreft, sta ik geheel
zegt, dat
en
juist
aan de zijde
de zorg voor het onder-
om
de redenen, die
hij zelf
gebonden aan de tegenwoordige Grondwet, die kan herzien worden; men kan daarin eene andere regeling treffen; maar ivij moeten toch te rade gaan met den toestand van het oogenblik, dus met de tegenwoordige Grondwet, die men niet voornemens is te wijzigen. Het spreekt dus vanzelf, dat deze quaestie dubbel oiseus is, omdat wij op het oogenblik niets anders kunnen of heeft
aangewezen.
is
niet
mogen doen.
De
heer
Brummelkamp
is
zoo vriendelijk geweest, mij een ruiker
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's