Parlementaire redevoeringen - pagina 542
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903
540
— 1904.
en doet de beurs dat niet uit eigen beweging, dan zal de wetgever ten deze moeten dwingen. Men zal eene andere organisatie tot stand moeten brengen, want tot nu toe is èn in Frankrijk èn in Duitschland èn in ons
nog steeds slimmer is dan de wetgever. Het is een kwaad, dat schuilt in den mensch zelf, in zijn hebzucht, in zijn zucht om rijk te worden. Ik kan mij begrijpen, dat de heer Troelstra, tegenstander als hij is van alle opeenhoping van kapitaal, critiek hierop land
dat de coulisse
gebleken,
maar
uitoefent;
een argument,
mag eene zaak beoordeeld
Kind
mag
hij
beoordeelen
niet
toestanden
toch
naar
niet
als
aanhalen
de misbruiken,
maar
als
Men
zoodanig.
moet
zij
Anders wordt het „das dan natuurlijk heeft men van
worden naar haar eigen waarde.
dem Bade
mit
dergelijke
de kapitalistische maatschappij
tegen
ausschütten",
en
het booze kind geen last meer.
nog gezegd, dat de Regeering wat rusteloos, dat zijn dingen, die op mij den indruk onvast, en wat al niet maken van niets dan verlegenheidsargumenten te zijn. Alleen wanneer men Mijnheer de Voorzitter, er
meer,
is
is;
waarover men kan komen. Verlegenheidsargumenten noem ik het, omdat ze even gemakkelijk tegen het vorig Kabinet konden uitgesproken zijn, en daar werden niets degelijks heeft,
lang
en
komt men aan met
dergelijke klachten,
breed kan praten, maar waarmede
Ook
verzwegen.
het
men
vorig Kabinet toch heeft
nooit iets verder
—
de heer
De
Visser
—
bij zeer belangrijke wetsontwerpen zijn eerst voorwees er reeds op opgestelde meening teruggenomen. Bij de Leerplichtwet verviel het 7de bij de Militiewet verjaar, terwijl opgenomen werd de herhalingsschool ongelukte zelfs een Minister; bij de Drankwet werd het eerste ontwerp ;
teruggenomen en vervangen door een geheel anders opgezet ontwerp; bij de Ongevallenwet protesteerde de Regeering eerst zoo beslist mogelijk tegen hetgeen in artt. 52 en 53 staat, en daarna zoo goed
als
kwam
zelf met een voorstel in dien geest, toen het eerste voorstel zij door de Eerste Kamer verworpen was. Nooit heb ik er echter aan gedacht, dit Kabinet een verwijt daarvan te maken. Integendeel, ik vond En ik voor mij begrijp dat een bewijs van gezond gemeen overleg. niet,
waarom de
heeren, die nu over het tegenwoordig Kabinet zoo oor-
ook niet tegen het vorige Kabinet hebben ingediend. nog één enkel punt te bespreken: het gebeurde met art. 109 der Militiewet. De andere dingen laat ik liggen, omdat ik anders te veel tijd van de Kamer zou vorderen. Ik zal dat punt behandelen, omdat een der sprekers verklaarde, nu ook eens van mij| te willen hooren, hoe ik hier voorstond, daar ik bij de behandeling van dat artikel niet in de Kamer geweest ben. Op dit laatste antwoord ik, dat, wanneer
deelen, diezelfde klacht
Ik
wensch
hierbij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's