Parlementaire redevoeringen - pagina 465
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN,
463
en gezegd, dat ten dien aanzien de Grondwet van 1887 aan die van 1848 het woord „mannelijk" heeft toegevoegd. Maar de grondwetgever van 1887 was vrij, wanneer hij meende, met
tot eenig lidmaatschap of ambt,
de oorspronkelijke bedoeling van den grondwetgever van 1848 te moeten breken. De wetgever had, waar het woord „Nederlander" sinds dien tijd
een dubieuzen zin had gekregen, kunnen bepalen, dat ook de vrouw
benoembaar zou maar,
door
zijn.
Dat
heeft
van
bijvoeging
de
de wetgever van 1887 het
woord
niet
„mannelijk",
gedaan,
niet
eene
verfraaiing of versiering aangebracht, doch eene uitdrukkelijk uitsluitende
bepaling gemaakt, waardoor de
vrouw geëxcludeerd wordt.
gezegd: waar de Gemeentewet van 1851
En
ik
heb
haar formuleering gebaseerd
in
op de Grondwet van 1848, ontstaat eene anomalie, eene onzekerheid, wanneer men, nadat die Grondwet gewijzigd is, in de Gemeentewet laat staan de onbeperkte formule, die er thans in voorkomt; dan krijgt juist daardoor het woord „Nederlander" een anderen zin dan het volgens de bedoeling van den Grondwetgever had. Dat woord „mannelijk" heb ik gezegd ook al is het, dat, zonder dat dit moet er bij, woord er in komt, de vrouwen niet dan bij hooge uitzondering benoemDit is niet door mij bedoeld, zooals de heer Drucker zeide, baar zijn. alsof ik meende, dat alleen dan de gemeentebelangen schade zouden kunnen lijden, indien personen, wier benoeming anders gewenscht zoude zijn, niet benoemd konden worden. Ik heb gezegd, dat de Gemeentewet de benoeming regelt onder den stelligen waarborg der verdediging van de gemeentebelangen tegen de gevaren, voortvloeiende uit te enge familiebetrekkingen, gevaren, die, wanneer de vrouw benoembaar was. niet alleen uit bloedverwantschap en zwagerschap, maar ook uit den is
—
slotte
zooeven
heb
noodzakelijk,
heer
ingenomen. dat
het
Van der Zwaag
houde heer Smidt dan
hij is
acht
Ik
woord zegt,
ik
het
erin
handhaven, die
ik
na dit debat, absoluut
komt.
feminisme
erbij
Wanneer de gehaald heb,
te herinneren aan de stem, die ik over de discussiën over de Kamers van Arbeid,
begonnen met mij
uitgebracht.
bij
En waar de heer Smidt
betrokken, heb ik de vrijheid genomen,
van mijn kant
vooral
het,
„mannelijk" dat
positie
mij ten goede, dat ik dat niet heb gedaan, doch dat de
eene soortgelijke quaestie,
heb
,
voorkomen. kan ik niet anders doen dan de
echt zouden
Ten
—
te
—
mij persoonlijk er
en
ik
zal dat blijven
bij
heeft
doen
—,
zeggen, hoe ik over het feminisme denk.
Handelingen,
blz.
109-110.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's