Parlementaire redevoeringen - pagina 199
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
HET SPEETWETJE.
"WETSONTWERP
197
tot aanvulling van art. 5 der Arbeidswet: het ontwerp-
Speetwetje.
Vergadering van
Mijnheer
vaarden
de
van
October
Gedachtig aan
Voorzitter!
het
1
voorzitterschap
in
deze
1902.
uw vermaning zitting,
zal
ik.
bij
het aan-
niet
herhalen
wat hetzij in de Memorie van Toelichting, hetzij in de Memorie van Beantwoording m.i. is afgedaan. Evenmin zal ik treden in besprekingen, die ten deele gehouden zijn om mij er toe te brengen, bij deze gelegenheid mijn standpunt ten opzichte van de sociale quaestie in het algemeen uiteen te zetten. Noch ook zal ik trachten, hetgeen ik voornemens ben ten aanzien van de vervanging der Arbeidswet hier op dit oogenblik aan te roeren. Het is zoo, dat door een van de leden uit de intrekking van het wetsontwerp op de rusttijden, uit het verlengen van den maatregel van bestuur ten aanzien van het maken van zijden vischnetten, zoo ook uit de uitdrukking „vervanging van de Arbeidswet" in de Troonrede, is afgeleid, dat het met mijn sociale dispositie zeer sober stond. Maar er zijn in ons land kringen, op welker adhaesie ik geen prijs stel; er zijn er, bij welker adhaesie ik mij zelfs eer zou afvragen, of ik wel op den goeden weg was. In elk geval zal ik geen steeple chase aangaan noch met de sociaal-democraten, noch met de vrijzinnigdemocraten op het stuk van de sociale wetgeving. Ik ben overtuigd, dat de lijn, voortkomende uit mijn beginselen, afwijkt van die, welke voortkomt uit de hunne, en wanneer men zich beweegt langs t^vee divergeerende
lijnen, is
eene steeple chase vanzelf uitgesloten.
nu met een kort woord zeggen, hoe ik tot de indiening van dit wetsontwerp gekomen ben. Bij mijn optreden als Minister van Binnenlandsche Zaken, toen ook de afdeeling Arbeid bij dat Departement werd gevoegd, vond ik een zoodanigen toestand, dat, ten opzichte van het bedrijf, hetwelk het hier geldt, de wet feitelijk niet werd nageleefd en dat men van overheidswege de vingers voor de oogen hield. Nu zegt de heer Van der Zwaag dan hadt gij den inspecteurs dadelijk hun Ik
zal
:
moeten geven. Dus ook den adjunct-inspecteurs en adjunctinspectrices, ook den opzichters? Ik betwijfel, Mijnheer de Voorzitter, of, wanneer er ooit sprake van was, zoo maar ontslag te geven aan eene groep arbeiders of arbeidsters, van de lippen van den heer Van der Zwaag dezelfde woorden zouden worden gehoord. Maar de geachte ontslag
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's