Parlementaire redevoeringen - pagina 529
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
Wie schrijft de M. leiding.
Evenwel,
de Premier
er
v.
op Hoofdstuk I?
A.
527
toch vroegere Kabinetten geweest, waarvan
zijn
Minister van Finantiën
was, en ik vraag daarom, of den geachten afgevaardigde niet bekend is, als hij zegt van neen, neem ik dit gaarne aan en of hij ook niet vermoedt, dat ook onder die vroegere Kabinetten al de stukken, die geteekend werden door den Minister van Finantiën, daarom nog niet geheel van dien Minister niet
—
het aan
—
,
herkomstig waren? Wanneer de geachte afgevaardigde
zegt, dat hij dit
geweten heeft, dan vraag ik, waartoe het dan dient, nu op eene wijze, die meer dan eens voor mijn ambtgenoot van Finantiën niet heel aangenaam was, op dit notoire feit te wijzen, dat daarin zijn oorsprong vindt, dat men hier niet, zooals bij de Eerste heel
goed
voortdurend,
Kamer, een afzonderlijk stuk heeft voor de Algemeene Beschouwingen, maar deze vastkoppelt, naar vaste parlementaire usantie, aan hoofdstuk I?
Zoo
zijn
ook de opmerkingen over mijn stijl opmerkelijk. De heer woorden en zwakke e's aangehaald, die ik gebruik.
Troelstra heeft zelfs
Maar kan men het dan iemand, die 30 jaren geschreven heeft, kwalijk nemen, dat hij eene zekere manier van schrijven gekregen heeft? En geldt dan het spreekwoord van het vogeltje met zijn bekje niet ook ten opzichte van den schrijver met zijn pen? En als dit dan zoo is, wat behoeven wij dan over zulke notoire feiten hier tegenover elkander geestigheden te debiteeren, die nooit eene buitengemeen welwillende strekking hebben? Ik kom thans tot de besprekingen van het algemeen Regeeringsbeleid. Allereerst zij er op gewezen, dat het Kabinet, als Kabinet van coalitie optredende,
de
in
eerste
plaats
voor de vraag, of een
stond
Kabinet
houdbaar
zal
pers
in
ons
tegenover het monsterverbond van
zulk
een langdurige
land
—
ons verleden beging, in
een
Er
zijn.
is
vroeger
in
jaren
coalitie-
door de groote
Rome
en Dordt
gevoerd en de historische herinnering aan het bleek nog onlangs, toen een blad de onhandigheid
artikel
strijd
op
nemen over de
te
standbeeldquaestie
—
heeft
zoovele opzichten in ons volk nagewerkt, dat het de vraag was, of
eene
coalitie,
treden
en
Metterdaad
zooals die nu in de
of
zij,
is
dit
zooals
de
Kamer gesteund
Franschen
zeggen,
wordt, op zou kunnen
„viabW zoude
zijn.
eene zaak van ernstige beteekenis, en daarom meen
er met eenigen nadruk op te mogen wijzen, dat tot dusver de samenwerking tusschen anti-revolutionairen, Roomsch-Katholiekenen Christelijkhistorischen in deze Kamer geen enkel oogenblik heeft geleid tot een zooik,
danig
conflict, dat
de positie van het Kabinet
toen de geachte afgevaardigde
want het was
zijn recht
—
uit
Leiden
in zijn
—
in
gevaar kwam. Integendeel,
ik zal niet
zeggen ondeugend,
rede poogde, daartusschen een wig-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's