Parlementaire redevoeringen - pagina 299
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
,
TOELATING VAN MEISJES OP GYMNASIA EN administratieve
werk
vorderen.
te
De
297
H. B. S.
geachte afgevaardigde zal ver-
op dit oogenblik te beslissen, dat reeds nu ten opzichte van de beide andere inspecteurs hetzelfde moet worden doorgezet, dat denkbeeld niet van hem behoefde over te nemen, omdat het dat
staan,
ik,
zonder
reeds door mij zelf was geuit.
door dien geachten afgevaardigde nog over gesproken, dat ten onrechte door mij zou beweerd zijn, dat het onderwijs op de hoogere burgerscholen een te intellectueel karakter zou dragen om te voldoen
Er
is
Hij heeft gezegd, dat ik niet de behoeften van de jonge vrouw. moest generaliseeren. Dat laatste ben ik geheel met hem eens. Ik stem volkomen toe, dat er jongelingen zijn, die op onze hoogere burgerscholen verkeeren en die veel minder intellectueele gaven bezitten dan menig meisje. De geachte afgevaardigde houde mij echter ten goede, dat ik hem herinner aan het spreekwoord: ééne zwaluw maakt nog geen zomer. Het is niet de vraag, of er enkele hoog intellectueel misschien zouden die in komende geaangelegde vrouwen bestaan, neraties al meer zich intellectueel kunnen ontwikkelen en ten slotte
aan
—
—
boven de intellectueel het meest ontwikkelde mannen uitgaan het is ook niet de vraag, of er onder ons geslacht povere sires voorkomen, maar de vraag is, hoe het gemiddelde is, want daarnaar richt Waar het onderwijs op de hoogere burgerscholen zich het leerplan. geacht wordt veel te veel intellectueel te zijn voor den jongen man, kan het stellig niet geacht worden datgene te zijn, wat de aanstaande niet voor eene enkele exceptie, maar in het toenemend vrouw ver
—
—
noodig zal op de hoogere burgerscholen zijn Ik meen daarom, dat de Staatscommissie, die ten deze een hebben. onderzoek zal instellen, die quaestie niet uit het oog zal kunnen verliezen. Het onderzoek namelijk naar de vraag, hoe voor de aanaantal,
waarin
komende ook
meisjes,
na het lager en
meer
uitgebreid
dat onderwijs zal zijn verkrijgbaar te stellen,
indien zal
zij
zij
in
moeten
lager
hetwelk
zij
onderwijs,
behoeven,
de maatschappij zich eene eigen positie willen verwerven, afgewacht, alvorens men een decisieven stap
worden
kan doen: Aan den heer De Stuers wensch ik te antwoorden, dat hij zich vergist heeft, toen hij meende, dat het Koninklijk Besluit van 27 Juni 1901 door mij onderteekend was. Ik was toen geen Minister en kon dat besluit
dus
niet
verzekering, technische
weg
dat
onderteekenen. ik
onderwijs
hooge
de niet
opgaan, evenzeer
Overigens geef ik hem gaarne de van het teekenen voor het maar voor allen, die den technischen
beteekenis
alleen,
inzie als hij
en dat
alles,
wat kan strekken
om
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's