Parlementaire redevoeringen - pagina 254
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
252 is
ook van overheidswege op moet worden
het onze overtuiging, dat er
aangestuurd
door
om,
deze Ebenbürtigkeit van in den arbeider te keer
verleening der noodige bescherming, krachtens al
te
wat mensch
de ontmenschelijking ook
heet,
gaan.
met een tooverslag geschieden kan, maar wel, dat het streven van de overheid er op gericht moet zijn, zulk Het is volkomen waar, eene bescherming en vrijmaking te verleenen. dat achter dit alles een achtergrond ligt van beginselen, voorstellingen zeggen
Wij
en
dat
niet,
overtuigingen,
maar
overtuigingen komen het licht, zoodat men
bij
dit
die
beginselen, die voorstellingen, die geloofs-
de gewone wetten niet dan zeer spaarzaam aan
ze niet
ziet.
Dat zou wel het geval
zijn,
wanneer
waren aan eene Grondwetsherziening. De geachte afgevaardigde, Van der Zwaag, heeft er van gesproken, dat, naar hij had gedacht, nu een heel nieuw gebouw op Christelijke grondslagen zou worden opgericht. Laat mij daartegen mogen opmerken, dat wij zoo revolutionair niet zijn. Maar, ook voor een oogenblik dit aangenomen, zal hij zelf moeten erkennen, dat dit alleen kan gebeuren door voor het wij toe
heer
de
oude een ander gebouw in de plaats te stellen. Waar het daarentegen pas gaf, ook in dit opzicht onze overtuiging uit te spreken, namelijk, dat God Almachtig in het Staatsrecht zelf is de Souverein van Nederland, en dat geen macht noch gezag in Nederland kan worden uitgeoefend dan
hebben,
dat
eene
andere
denis
ligt
De
Hem
van
dat
de
in
wijze
afvloeit,
beide
is
laatst
ook geschied. En men zal gezien verschenen Troonreden metterdaad op
het
dan vroeger gesproken
is
van hetgeen
in die belij-
uitgedrukt.
geachte
afgevaardigde heeft
gezegd,
—
en
dit
ten slotte
—
,
en
hadden verwacht eene Christelijke Regeering, anderen met hem: gegrond op openbaring en teksten, en wij hadden gedacht, in de Kamer en aan de Regeeringstafel een stel mannen te krijgen, die het in alles met elkander eens waren; in kleinigheden mocht er wel eens verschil zijn, maar die mannen moesten toch nooit tegenover elkander staan. Het wij
het met mij eens is, zijn onafhanbetwijfeld wordt, en hij min oordeel van en of meer in het hoekje der marionetten thuis gebracht wordt, maar wanneer men het niet met mij eens is, is dit een duidelijk blijk, dat geheel mijn standpunt onhoudbaar is! Daarop zij geantwoord, dat wij, die aan
is
merkwaardig,
kelijkheid
de van
dat,
wanneer iemand
zelfstandigheid
God gegeven
openbaring gelooven, meenen zouden,
uit
het leven
dood te gaan, wanneer wij het allen met elkander eens waren, Men moet ook niet zoo maar eens een tekst nemen en zeggen, dat het daar nu staat, want ook die tekst is niet anders ontstaan dan onder
in
den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's