Parlementaire redevoeringen - pagina 7
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ALGEMEENE VOLKSTOESTAND. Wanneer men verder nagaat
5
— — —
wat toch ook nog al kenmerkt datwaar de geachte afgevaardigde bijzonder het oog op houdt, te weten den stoffelijken toestand dat in de banken van leening de niet afgeloste panden in '89 bedroegen f2,620,002, terwijl dit cijfer in '98 tot op f 1,821,268 was gedaald wat wil zeggen in '89 58 cent per inwoner en in '98 slechts 36 cent en wanneer men daar dan naast legt gene,
—
de gegevens, die de handel verstrekt, en
de invoer
dat
voorbeeld enkel
men
in '99
ziet
dan op handelsgebied,
—
met 4,96 pet. dit minder maar dat ook de invoer voor het verbruik gestegen is met 6,69 pet., dan wijst toch ook deze versterking van invoer op grootere koopkracht en meerdere capaciteit. bij
voor den algemeenen invoer,
Wanneer men
voorts
ziet,
men
zal
gestegen
is
—
zeggen, beteekent
dat de uitvoer in dezelfde jaren
is
gestegen
wanneer men rekening houdt met het klimmen der invoerrechten en met de gestadige klimming der accijnzen wanneer men in aanmerking neemt, dat de scheepvaart eveneens vooruitgaat, wel niet in getalsterkte, maar in tonnenmaat, dat zij nl. gestegen is van 605,000 tot 667,000 alleen voor de stoomschepen; en wanneer men dan al deze verschillende gegevens bij elkander neemt en rekent dan nog daarbij de geestelijke gegevens, hoe bij voorbeeld de jongste verkiezingen in ons land bij den scherp gevoerden partijstrijd door het geheele land op ordelijke en rustige wijze zijn geschied en hoe de felheid, waarmede de vroegere verkiezingen geschiedden, plaats gemaakt heeft voor onderlinge waardeering, en wanneer men dan den zedelijken toestand vergelijkt met dien van andere landen dan meen ik toch, met al deze gegevens voor oogen, te mogen zeggen, dat wij, den toestand van nu vergelijkende met dien van voor 20 jaren en ook met dien van andere landen, niet veel anders kunnen oordeelen, dan met 8,06
pet.;
;
—
dat de algemeene volkstoestand in velerlei opzicht stemt tot dank. Natuurlijk, of
van
men
tot
volk.
Acht
men
te
dank
men
gestemde eischen, acht men in
is
gestemd of
niet,
hangt
af
van de wijze
over onzen toestand als mensch en moeten optreden als mensch en volk met hoog-
beschouwing, die
heeft
allerlei
rechten
deze of gene goede positie geplaatst
te
te
kunnen doen gelden om
worden, dan
zal
men
nooit
Is danken maar steeds klagen, want dan komt men het daarentegen, dat men uitgaat van de overweging, dat wij noch als mensch noch als volk iets te eischen hebben, maar dat alles wat ons ten goede komt eene goedheid is, ons door God, in Wiens hand ons leven is, geschonken, dan zal men danken ook voor het weinige, dat men heeft. En wanneer dat weinige dan zoo breed is toegemeten als altijd iets
te kort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's