Parlementaire redevoeringen - pagina 493
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
BURGERLIJKE STAND. aan den geachten afgevaardigde
491
—
wanneer uit deze Gemeentewet, door onzen uitnemendsten ontwerper, Thorbecke, gemaakt, zoovele onzekerheden zijn voortgevloeid en zoovele conflicten zijn ontstaan, dat geheele bundels van Koninklijke Besluiten noodig zijn geweest
om
de
in
ontstane
ontwerp omdat ook conflict kan dit
te
vragen, of het
verwarring orde
te
scheppen
—
goed
is,
over
oordeelen zooals de geachte afgevaardigde gedaan heeft,
te
uit
dit
ontwerp
vroeg
wellicht
Het komt
voortvloeien.
mij
of
voor,
laat
wel
eens
een
dat de geachte afge-
vaardigde tweeërlei maatstaf daarbij heeft aangelegd, één maatstaf toen
de uitnemendheid van Thorbecke's
hij
maatstaf, toen ik, die
hij
talent verdedigde,
en een anderen
veroordeelde, wat hier geleverd was. Natuurlijk denk
nooit in de gemeente-administratie praktisch
werkzaam ben geweest,
noch gestudeerd heb, er niet aan, mij op één lijn te stellen met de groote mannen op dit gebied. Ik doe mijn plicht naar de krachten, die mij gegeven zijn. Wil men daarop laatdunkend neerzien, men doe het ik ben intusschen bereid, alle verkeerdheden uit den weg te jurist
als
;
men moet
ruimen. Maar
het niet voorstellen, alsof alle wetsvoorstellen,
die vroeger ingediend zijn, de volmaaktheid zelf waren.
gesproken over eene wet,
was;
die,
en toch heeft die wet
niet
achtereenvolgens
op
de
is
hier eens
algemeene tevredenheid kunnen
nagaat, hoe alle v/etten van vroeger
gehaald worden, dan zal
helling
toestemmen, dat onze wetgeving
niet als absoluut
men moeten
volmaakt kan worden
Dit wilde ik alleen zeggen over het „peuteren".
aangediend.
De
de
Wanneer men dan ook
verwerven.
Er
menschelijkerwijs gesproken, volmaakt
geachte afgevaardigde heeft ook met een enkel woord de quaestie
hem hoop te spreken bij de behandeling amendement. De andere vraag, door hem in navolging van den geachten afgevaardigde uit Haarlemmermeer, den heer Van Wichen, aander kosten aangedikt, waarover ik
van
zijn
gestipt, betreft
het
personeel
de quaestie, of het beter was, de vaststelling der instructie van op te dragen aan burgemeester en wethouders, dan wel
aan den ambtenaar van den burgerlijken stand, onder wiens leiding het personeel werkt. Ik mag en kan mijnerzijds in die wijziging niet treden
derde door mij op den voorgrond gestelde beginsel, de ambtenaar van den burgerlijken stand moet zijn onafhankelijk en zelfstandig. Wanneer toch het personeel, dat onder dien ambtenaar werkt, geïnstrueerd wordt door eene macht buiten hem, dan krachtens namelijk
wordt zicht
het
dat
die
geen
velerlei
onafhankelijkheid verbroken. idealistische drijver.
voorkomt, waardoor aan
wordt gedaan.
Mocht
Ik ben intusschen
Ik erken, dat
in
in
dit
op-
deze wet toch reeds
die absolute onafhankelijkheid
het zijn, dat de heeren Borgesius of
afbreuk
Van Wichen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's