Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 90
Eerste deel. Inleidend deel.
Afd.
82
Juist dit vrijwaart
hem dan ook voor het gevaar van
abstractie te vervallen, charitatis
want deze fons
sapientia
en vandaar dat „nemo perfecte
diligit" (p.
631).
Een
praeteritorum
blijk
toen
gaf,
tevens de fons
sapit, nisi is qui perfecte
waarvan
hij
van den kunstenaar of
hij
membra movet
„Nullus artifex
schreef:
in scholastieke
is
practische opvatting der studie,
geen minder schoon
werkman
HRABANUS MAURUS.
Hfst. III. § 47.
2.
operando,
in
nisi
memoriam cum futurorum expectatione contexat"
640).
(p.
waardeering van de scientiae gentilium
Zijn
daarom ook
is
Al aanstonds moet scherp onderscheiden, tusschen hetgeen de Deo erat institutum in het natuurlijk leven, zonder
niet
critiek.
en hetgeen institutum est ab hominibus. Dit laatste vloeisel
van
wel
drieërlei
in
maar het
superstitie;
opzicht:
de
eerste geldt
historie,
en de studie van den geest
meest
uit-
ook voor ons, en
de studie van het lichaam
639).
(p.
is
Al wat
uit
de onheilige
bron van hun superstitie vloeide, moet derhalve door een Christen verfoeid en
gemeden worden
als
„simulata et superstitiosa figmenta,
quae unusquisque nostrum, duce Christo, societatem gentilium debet abominari atque devitare"
exiens,
volgt
niet,
dat
we hun
dit
Maar
648).
hieruit
echte studiën, al zijn ze met superstitie
bevlekt, deswege ongebruikt hij,
(p.
mogen
laten.
„Het
hiermee", zegt
is
bekende beeld van Origenes overnemende,
„als
gouden en zilveren vaatwerk, dat de Egyptenaren door afgodischen dienst ontheiligd hadden, maar dat Israël
met het allerlei bij
zijn
tocht door de Roode zee toch mee naar Kanaan moest nemen".
Op
gelijke
wijze toch moeten
een soort „aurum
et
wij
met de
argentum, quod non
artes libcrales doen,
ipsi (pagani) instituerunt,
sed de quibusdam quasi metallis divinae providentiae, quae-ubique infusa est, eruerunt"
(p.
648).
En
al is het nu, dat
zij
deze gaven
daemonum abutuntur," toch als we de heidensche maatschappij uittreden, en naar het Kanaan der Kerk van Christus overgaan, dit alles van hen mede te nemen en nu aan te wenden voor het van God verordende doel (p. 648). Reeds aan deze „perverse atque iniuriose ad obsequia
ontslaat dit ons niet
van den
organische voorstelling,
dekt
plicht,
die ver
men den Germaanschen
om,
boven Augustinus
geest,
en
in dit
uitgaat,
ont-
sprekende beeld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's