Parlementaire redevoeringen - pagina 456
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
454
ook op dien grond, dat amendement zou kunnen
Waarop
ik
geen geval
in
de aanneming van dat
in
berusten.
steunt echter mijn overtuiging, dat de tegenwoordige
Gemeentewet de benoembaarheid van de vrouw tot burgemeester, secretaris of ontvanger uitsluit? Het jwoord „Nederlander", zonder meer, zonder bijvoeging, in een wettelijk voorschrift, als waarmede wij hier te doen hebben, duidt aan: alleen een man, of wel, onverschillig een man en eene vrouw. de vraag te beantwoorden, wat het in zulk een voor-
Om
rechtens beduidt, verwijs ik allereerst naar
schrift
wet.
Toen men
gesproken van Nederlanders.
uitsluitend
Grondwet toekwam, was
der
herziening
men
art.
180 der Grond-
de redactiën van 1815 en 1848 werd, zonder eenigen
Bij
twijfel,,
1887 aan eene
in
het niet alleen de vraag, wat
de jaren 1815 en 1848 onder een „Nederlander" heeft verstaan.
in
Ik geef toch gaarne toe, dat de vraag toen ook moest rijzen, of men, wetende en constateerende, dat in 1815 en 1848 niet anders bedoeld was met het woord „Nederlander" dan een man, nu van meening wenschte te veranderen, en daaronder ook de vrouw wenschte te begrijpen
of wèl, dat
;
van het woord
Het
1815 en
in
antwoord daarop
Grondwet,
der
ziening
woord „mannelijk" 1887
in
heeft
—
,
was
„mannelijk" vastgelegd kiezers
de
Staten,
werd. de
eenvoudig.
toen er
— wat
iets in
Dit
in
heeft
te
men
het gebruik
bestendigen. bij
de her-
„Nederlander" stond, het
alleen
Geen oogenblik
is
er
dat
de Grondwet veranderde.
door
de
bijvoeging
van
het
Integen-
woord
de Grondwet stond, slechts bevestigd en
men gedaan zoowel
Tweede Kamer, van de
ten opzichte van de
leden der
Tweede Kamer,
leden
der Eerste Kamer, van de kiezers voor de Provinciale
als ten
opzichte van de kiezers voor en van de leden van den
gemeenteraad.
Men
zal
ook toestemmen,
college of zekeren bestuurskring
bijvoeging van sluitend
maar
1887 heeft
In
bij
de heer Borgesius daaruit gedistilleerd
gelijk
overtuigd,
datgene,
voor
wenschte
in 1848, uitdrukkelijk
is
men hiermede
dat
die voorgezeten heeft
er opzettelijk voor geplaatst.
aan gedacht,
men
deel,
van
men de meening,
het
vrouwen
woord „mannelijk",
dat,
wanneer men van zeker
uitsluit, en,
het
door eene expresse
woord „Nederlander"
uit-
doet slaan op mannen, waar het geldt de kiezers en de leden,
a fortiori daaruit volgt, dat voor het bestuur hetzelfde bedoeld is en bedoeld moet zijn. Uit alles blijkt voorts, dat in de Gemeentewet van 1851, en ook daarna, het spraakgebruik van de Grondwet gevolgd
is.
Zooeven wees
ik
op
art.
180
van
de
Grondwet.
indien ik mij niet vergis, het eenige artikel, waarin het
Dit artikel
is,
woord „mannelijk"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's