Parlementaire redevoeringen - pagina 250
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
248 wanneer
overging,
niet
Kamers van koophandel daarover waren
de
gehoord.
Men
intusschen
vergete
de eerste Troonrede ook
in
niet, dat,
wat een Kabinet
moge aankondigen,
opzetten van een onverwachten kant.;
Het
bij
optreden
zijn
kunnen komen toch genoegzaam bekend,
is
er buien
de Minister^^ van Finantiën geheel ongedacht en
hoe in dezen korten onverwacht overvallen is geworden door de suikerquaestie, door den nood van de Indische schatkist en nu weer door dien van de gemeentefinantiën. Men zegt: verlaag den suikeraccijns tot op de helft, want dat tijd
meerdere
door het
haalt
gij
juist;
ik geloof, dat dit
zal
tijd,
wanneer er een ander Kabinet
zijn,
volgers
uit
de moeite
hebben
plaats
gebruik
na eenigen
volkomen
in.
na 10 of 12 jaren, het geval
zit.
Wij zouden dan onze op-
Maar aangezien
helpen.
En
wel bijv.
dat
wij
is
de eerste
niet in
zorgen voor de finantiën van een Kabinet van
te
later
maar voor onze eigen finantiën, hebben wij ons af te vragen, hoe wij moeten handelen. Waar de gemeente-finantiën ook hulpe vragen en gezegd wordt, dat dit is een eisch van recht, zal men ons moeten toestemmen, dat, waar niet is, ook de stad met de Keizerskroon haar recht Evenmin verliest en wij niet kunnen uitkeeren wat wij niet hebben. jaren,
van ons te vergen, dat wij voor die tusschenin komende aangelegenheden ons werkplan zullen abandonneeren. Ik meen te mogen zeggen, dat de Regeering geheel de lijn van haar is
optreden volgt, en voortgaat met de drie hoofdzaken,
oorspronkelijk
zoo tot
straks
stand
geboden,
te
door mij genoemd, ernstig aan
maken
wij
alleen
te
grijpen en zoo mogelijk
Dankbaar dus voor den
brengen, mits goed.
deze
reserve,
prikkel, ons
dat wij ons tot geen over-
haasting laten drijven. Ik
kom nu
niet geringe
koers
niet
tot
den nieuwen koers.
De
heer Drucker heeft
verbazing hier openlijk verklaard, dat veel
kon bemerken.
Hij
was zeer
Regeering, maakte er haar geen verwijt van, dat
hij
tot
mijn
van den nieuwen
billijk
tegenover de
nog niet meer tot stand had gebracht, maar zeide, niets van den nieuwen koers te hebben gezien. Dit verwondert mij te meer van den heer Drucker, omdat hij in Leiden woont, daar ook wel kiezer zal zijn en dus wel het biljet van zijn vroegeren collega Fockema Andraea, waarbij de Leidsche verkiezing ter sprake stelling
is
gebracht, ontvangen zal hebben. Hij zal
in zijn oud-collega dit geschrift
Fockema Andraea
zij
vertelt daarin
aan de kiezers,
—
uit
wel ingezien hebben.
— en
hij zal als
belang-
De
heer
professor
wel instaan voor wat hij zegt dat de door de Regeering te nemen maatregelen er toe zullen leiden, de Leidsche Universiteit te ontvolken. ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's