Parlementaire redevoeringen - pagina 478
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
:
ZITTING 1903—1904.
476 spreken
de door mij en den Minister van
in
Justitie
gegeven verklaringen,
maar hij vergunne mij de opmerking, dat de uitlegging, die hij daaraan nu gegeven heeft, geen steek houdt. Hij zeide toch gij kunt wel den termijn bepalen, waarna de zaak aan de orde zal gesteld worden, maar kunt niet zeggen, wanneer de wet in het Staatsblad zal komen. In zijn :
termijn
eersten
de geachte afgevaardigde geargumenteerd
heeft
woorden „eerlang" en „ter
maar op had
uit
de
tijd", die niet slaan op het Staatsblad,
van het wetsontwerp.
het indienen
ik het recht, te
bekwamer
En, daartegen ageerende,
beweren, dat daaruit wantrouwen sprak tegenover
de verklaring der Regeering.
De
afgevaardigde
geachte
eed
facultatieven
te
zegt,
dat
thans
ik
zelf toon,
vóór den
en desniettemin den obligatoiren eed wil be-
zijn,
houden voor burgemeesters, secretarissen en ontvangers. Dit is ten eenenmale onjuist. Ik ben niet voor den facultatieven eed in dien zin, dat ik dit de oplossing der quaestie zou vinden. Er is reeds door mij gezegd, dat de Regeering bij elke nieuwe principieele regeling zou trachten, de maar dit mag niet beschouwd partijen tot overeenstemming te brengen ;
worden
als
Wanneer en
te
ik
niet
ontvangers
hieraan,
zijn
de uitdrukking van mijn persoonlijke overtuiging.
dat in dit
ben om, wat de burgemeesters, secretarissen
bereid
den vorm van den eed
betreft,
wetsontwerp
uitsluitend
te
wijzigen,
dan
ligt
dit
voor den burgerlijken stand
door de Regeering niet anders opgenomen zijn dan zulke wijzigingen, die geen principieel karakter hebben. Op grond van dit alles blijf ik beweren, dat het in strijd met den opzet en de bedoeling van het wetsontwerp is, ik betwijfel zelfs
—
of
wel
het
formeel
is
—
,
bij
amendement
die
zaak er
in te willen
brengen.
Handelingen,
Mijnheer de Voorzitter! Ik kan afgevaardigde, den heer
dezer
Kamer
eenige
niet
wel inzien, hoe
De Savornin Lohman, en
onzekerheid
kan
bij
blz.
bij
130
— 131.
den geachten
de andere leden
bestaan omtrent
de bedoeling
van de aangebrachte wijziging. Indien de geachte afgevaardigden art. 39 van de Gemeentewet willen inzien, dan vinden zij daar in het eerste lid den ambtseed, en, nadat die ambtseed is genoemd, volgen de woorden „zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na, mede in de vergadering, en
handen van den voorzitter, den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd". Wat voorgesteld is, is hetzelfde, maar natuurlijk met deze wijziging, dat de eed niet wordt afgelegd in in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's