Parlementaire redevoeringen - pagina 450
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
448
Meer dan eens heb ik mannen ontmoet, die met deze woeling waren meegegaan, en mij zeiden: „ik heb meegedaan, omdat men mij gezegd heeft, dai ik mocht; maar als ik geweten had, dat het misdadig was^ zou ik het nooit hebben gedaan." Daarom hechten wij er waarde aan, dat
ook op deze indrukwekkende
wijze, zooals dit alleen in
rede kan, zulk een zedelijk oordeel geveld wordt dat,
;
eene Troon-
en ik ben overtuigd^
tweede maal zulk eene woeling mocht ondernomen zedelijk oordeel, aldus uitgesproken, mede eene van de
wanneer een
worden,
dat
waardoor menigeen van het meedoen met eene dergelijke beweging zal worden afgehouden. Mijnheer de Voorzitter Er is ook over het geëerbiedigde Hoofd van den Staat door den spreker in het breede uitgeweid. Mij kwam dit voor, het zwakke punt in zijn rede te zijn. Immers, nadat hij eenmaal, volkomen constitutioneel, duidelijk had uitgesproken, dat dit niet was krachten zal
zijn,
!
een persoonlijk woord van onze Koningin, maar dat dit woord geheel en al, van de eerste tot de laatste letter, was een Staatsstuk, dat voor
verantwoording van het Kabinet kwam, had het vanzelf geen pas meer, was het zelfs eene contradictie, het desniettemin toch weer te gaan
beschouwen,
alsof
wèl persoonlijk de Koningin er
in
gemengd was. De
Troonrede een persoonlijk stuk van het Hoofd van den Staat zou kunnen zijn, is ten eenenmale onhoudbaar. Dat is geen enkele Troonrede ooit geweest. Zulk een Staatsstuk is dan ook niet neutraal en kan het niet zijn. Wanneer bijv. in de Troonrede van 1901 speelzucht en drankzucht zijn gebrandmerkt, is daarmede een zedelijk oordeel uitgesproken, waarmede immers volstrekt niet allen in den lande voorstelling, dat de
het eens
Wanneer na een
zijn.
neemt en daarop
in
stembusstrijd een ander Kabinet zitting
de Troonrede voorstellen van wet worden aange-
het gevoelen van de bij de stembus daarmede het neutraal karakter van eene Troonrede vanzelf uitgesloten. Eene Troonrede kan alzoo niet neutraal zijn. Er is gezegd, dat in eene Troonrede niet eene partij moet en mag veroordeeld worden. Daarop antwoord ik echter, dat dit ook niet in deze
kondigd,
die
geslagene
partij
tegen
den
wil
ingaan, dan
en
is
Troonrede geschiedt. Er wordt daarin geen enkele partij genoemd of Er wordt alleen over eene daad, over eene beweging een oordeel geveld. Zegt men, dat dit in strijd is met de neutraliteit, dan vraag ik, waar dan het zedelijk oordeel blijft, hetwelk de Regeering^ per se moet vellen over hetgeen in haar gezicht en onder haar bereik geschiedt? Wanneer, om een voorbeeld te noemen, in een ander land, hetwelk ik niet met name zal noemen, op het oogenblik door eene bekende groep gepredikt wordt, dat men de belastingbetaling moet weigeren. aangeduid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's