Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Parlementaire redevoeringen - pagina 50

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Parlementaire redevoeringen - pagina 50

Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.

2 minuten leestijd

ZITTING 1901—1902.

48

en waardij

zaglijke beteekenis

anti-revolutionairen inderdaad

hebben

gebracht,

of

zich

had,

zoo weinig

of

de

in practijk

Rede zoo weinig

der

intusschen ook op gewezen, dat wij

is

Openbaring tegenover de Rede

wel de

worden gevraagd,

zelf

gebruiken

het

Er

toch

Rede dan

die

in

bekwaam hebben gemaakt.

mag

stellen,

maar

dat de belijders

van die Openbaring toch eenigszins divergeerende opinies zijn toegedaan, zoodat gedurig de een tegen den ander ingaat. De gegrondheid van deze opmerking erkennende, heb ik mij evenwel afgevraagd, hoe het dan stond bij de heeren zelven, die de Rede als grondslag van hun denken aannemen. Wanneer toch de heeren niets dan de Rede hebben, zullen zij het toch over de Rede wel eens zijn. Toen heb ik mijn boeken eens genomen en gevraagd, niet aan Ie premier venu, maar aan de grootste denkers van de richting der heeren aan de overzijde, wat hun begrip, hun definitie van de Rede was. Wat vond ik? Eén en twintig definities van de Rede, welke ik verzoeken zal als noot bij mijn rede te mogen opnemen. *) Een klein proefje zij het mij echter vergund reeds thans den heeren voor te zetten, opdat zij kunnen zien, hoe ook bij hen de begrippen omtrent de Rede divergeeren. Laat ik beginnen met Kant, den denker par excellence. Hij zegt: „Vernunft

das

Vermogen der

Principiën; das

Vermogen der

Wörterbuch der Philosophischen Begrijfe und Ausdriicke

*) 1.

ist

Einheit

(Eisler).

Spinoza:

„De natura

est res non ut contingentes, sed ut necessarias contemplari." XLIV.) 2. Malebranche: „La raison est la faculté qu'a l'esprit de connaistre les objets de dehors, sans en former d'images corporelles dans Ie cerveau pour se les représenter".

{Eth.

II,

(Reeh. 3.

rationis

prop.

III,

1.)

Leibniz:

„La raison 4.

est la faculté, qui s'apergoit de la liaison des vérités." (Gerh. V, 456.)

Condillac:

„La mesure de

réflexion

constitue notre raison." 5.

des anim.

II,

est ce

que

5.)

Reid:

„We

ascribe to reason

self-evident:

that are." 6.

que nous avons au dela de nos habitudes,

(Trait.

two

offices, or

second to draw (Essays on the powers the

two degrees. The

conclusions II,

p.

first

is

to

judge of things

that are not self-evident,

from those

190.)

Kant: „Vernunft

ist das Vermogen der Principiën; das Vermogen der Einheit der Verstandesregeln unter Principiën." (Kr. d. r. Vern., S. 265—267.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's

Parlementaire redevoeringen - pagina 50

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's