Parlementaire redevoeringen - pagina 442
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
440
Ook wensch ten défaveure tot die
partij
ik
onbesproken
te laten
wat gezegd
Indien
is
aan het adres en
die in deze vergadering
van de behooren, het noodig oordeelen, tegen het gesprokene opteliberale partij.
zij,
van dien plicht zelven wel kwijten. Evenmin zal over de motieven, door den spreker bij de Regeering verondersteld. Alleen dit ééne wil ik zeggen. Wanneer wij de motieven, die hem en zijn geestverwanten bij hun politieke beweging in den lande
komen,
zullen
zich
zij
ik treden in een debat
nauwkeurig beeld konden teekenen, dan zou ik het beeld van de motieven der door mij gevolgde politiek vrijelijk en gerustelijk daarnaast Slechts wil ik mij een enkel woord veroorloven over willen leggen. eene opmerking van dien spreker, als zouden de Christelijke partijen een verkeerden weg inslaan, indien zij hun krachten gingen concentreeren steeds in eene anti-socialistische politiek. Het is ook mijn overtuiging, strijd van de dat de door mij voorgestaan en ook nu niet verzaakt Christelijke partijen in den lande diepere verschillen raakt dan die, welke met de sociaal-democratische partij in het debat komen. Daarom reeds
leiden, in
—
—
,
kan en mag die strijd nooit enkel een anti-socialistisch karakter dragen. Ter zake overgaande, zij het mij al dadelijk vergund, eene opmerking te maken, naar aanleiding van hetgeen door den heer Troelstra gezegd is van den zin en de beteekenis van het Adres van Antwoord van de Eerste Kamer, en het Adres van Antwoord, hier aan deze Kamer door de Commissie van Redactie aangeboden. Wanneer het de intentie was geweest van de Eerste Kamer, om, zooals die spreker meende, een désaveu aan de Regeering te geven, dan zouden de leden dier Kamer, waaronder daarvoor veel uitnemende sprekers te
doen uitkomen. Waar
is
gevoerd, niet
Kamer
der
is
het
geboden,
zal
politieke
iets
mannen,
achterwege
zijn
dergelijks in die
te
goede
gebleven
stylisten
om
en
te
dit duidelijk
Kamer, waar geen debat
uitgesproken, protesteer ik tegen elke poging, in deze
Staten-Generaal gedaan,
zulk eene beteekenis
Wat
te
niet
zijn,
Adres
te
van
wel ieder
om
aan dat Adres van Antwoord
geven.
Antwoord betreft, aan de Tweede Kamer aanen ook de Regeering de vrijheid hebben, die
lid
de spreker voor zich zelf nam, om de verschillende paragrafen daarvan zóó op te vatten als men zelf meent, dit te moeten doen. Uit het feit, dat die afgevaardigde daaraan de door hem geuite bedoeling heeft gegeven, volgt dus alleen, dat één lid der Kamer zich in dezen zin Meer niet. Namens de Regeering stel ik op den heeft uitgesproken.
voorgrond, zakelijk
dat
heeft
Troonrede op
zij,
gelijk
geacht, te
de
nemen.
ik
straks nader wil ontwikkelen, het nood-
door
Doch
dat
lid
ik
voeg
gewraakte
uitdrukking in de
er uitdrukkelijk
bij,
dat door
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's