Parlementaire redevoeringen - pagina 127
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
EFFECTUS CIVILIS.
125
moet zeggen, dat ik zijn meende, het te moeten Maar nu hij de zaak zóó besproken heeft, moet hij mij een volgen. klein verwijt ten goede houden. Ik had, meen ik, met het volste recht, toen die geachte spreker mij zijn vraag deed, kunnen zeggen: die geachte spreker doet eene vraag, die hij hier niet doen mag, want hij doelde, gelijk hij naderhand erkend heeft, op het ingediende ontwerp der Beroepswet, en hij weet, dat ik daar niet de eenige onderteekenaar van ben. En nu had hij, dunkt mij, hij houde ik zeg het met alle mij ten goede, bescheidenheid en welhet willendheid vooral als gewezen Minister, moeten weten, dat zulk hier Ik had op onheusche vraag niet mocht gedaan worden. eene wijze dit dadelijk kunnen zeggen, maar ik heb het niet gedaan en heb gedacht: ik zal toch wat zeggen en ik heb er natuurlijk om heen In plaats, dat de geachte afgevaardigde daar dankbaar voor gepraat. is, maakt hij er een nieuw verwijt van. Maar nu moet ik dit zeggen, dat, als hij de zaak zóó opvat, ik wat krasser zal spreken, want hij heeft zich niet ontzien, ook mijn oordeel te vragen over een Staatsstuk, waaronder mijn naam niet eens staat, namelijk over de Memorie van Toelichting van den Minister van Koloniën, betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Indische begrooting, in verband met de opleiding van ambtenaren voor den dienst in de overzeesche bezittingen. Het dunkt mij toch zonderling van een gewezen bewindsman, aan den hoe
afgevraagd,
mij
ik
voorbeeld
zoo
niet
hij
dat
deed,
kwaad vond, en
en
ik
dat
ik
—
—
,
Binnenlandsche Zaken
Minister
van
van
ambtgenoot voor Koloniën.
zijn
verklaring, dat ik
vragen van een voorstel verwachtte hij van mij de
uitleg te
Ook
mij tegen eene incidenteele beslissing van deze zaak
verzetten zoude.
Het
hem
zij
mij geoorloofd, daarop te antwoorden, dat aldus de vraag door
niet juist gesteld
is.
De
effectus civilis
de wet op het hooger onderwijs, maar
is
geregeld in
art.
92 van van
volstrekt niet ten opzichte
ambten en betrekkingen. Er zijn ook speciale wetten, waarin die Ik nader geregeld is en de eischen speciaal genoemd worden. noem bijv- het reglement van orde voor de advocaten, dat gemaakt is Daarin staat te vóórdat de wet op het hooger onderwijs bestond. lezen, dat elk, die den vereischten graad van doctor of licenciaat in de rechten heeft verkregen op een der Hoogescholen des Rijks, bevoegd is om te kunnen worden toegelaten als advocaat. Ik wensch niet, dat incidenteel beslist zal worden over den inhoud van art. 92 van de wet op het hooger onderwijs, maar wanneer straks de andere vraag komt,
alle
zaak
of
voor andere
niet
genoemde ambten,
als
zoodanig, ook die eischen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's